Sint Brandanus - de patroonheilige

Sint Brandaan wordt ook wel de patroonheilige van het kustlicht genoemd.
De historische Brandaan werd om en nabij 484 dichtbij de tegenwoordige stad Tralee in het graafschap Kerry in het uiterste zuidwesten van Ierland geboren – hij stierf hoogbejaard in 576. Hij was monnik en stichtte een beroemd klooster, Clonfert in Galway.  Zijn sterfdag wordt meestal op 16 mei gevierd. Er bestaan teksten over zijn zwerftochen over de oceaan, zijn zee-avonturen, in het Latijn en in het Iers  - maar hij is niet overbekend.
Echter, Terschelling is niet de enige plaats waar sinte Brandaan of sint Brandarius als beschermheilige met vuur wordt genoemd. Verschillende plaatsen aan de Noord- en Oostzee noemen hem, omdat hij vereerd wordt door gilden die met vuur omgaan, of als beschermheilige tegen brand.
Op het altaar van Güstrow in Mecklenburg is hij afgebeeld  met een in drieën verdeelde kaars of een fakkel. De naam van de vuurtoren van Terschelling is door Sint Brandaan is zelfs overgegaan op een berg van het Westindische eiland Bonaire. Van deze top werden in vroeger tijd vuursignalen gegeven o.a. bij toenadering van vijandige schepen.  Er is dus nog een eiland……
De reis van Sinte Brandaan is een prachtige legende die vermoedelijk in de 12de eeuw als gedicht is ontstaan. Bertus Aafjes heeft het in 1944 herdicht.

Het verhaal

De Ierse abt Brandaan, regent van 3000 monniken, las altijd veel over de wonderen van Onze Heer Hij las op een gegeven moment in een boek dat er twee paradijzen op aarde waren, dat er een vis bestond met een bos op zijn rug en dat Judas deel had aan Gods barmhartigheid, omdat hij op elke zaterdagnacht verlichting kreeg van zijn straf in de hel.
Brandaan kon dit alles niet geloven en heeft het boek in het vuur geworpen. Hierop kwam een engel van God en gebood Brandaan in naam van God om nu te gaan varen gedurende negen jaar, om na te gaan wat waarheid en wat leugen was in het boek.

Hierop liet Brandaan een schip bouwen, waar ook nog een kapel op gemaakt werd. Hij ging met 80 bemanningsleden en twee kapelaans op reis.

Op de dag van de afvaart, vond hij het hoofd van een dode man op het strand. Het was een zeer groot hoofd en Brandaan vroeg aan het hoofd wat hem was overkomen. Deze antwoordde dat hij vroeger ver de zee in liep (hij was wel honderd voet lang) om schepen te beroven, maar op een dag kwam er een vloedgolf, waardoor hij gedood werd.
Brandaan vroeg nu, of hij God moest bidden om de reus weer te laten leven, als deze Christen wilde worden. De reus sloeg dit aanbod af, zeggende dat hij dan weer moest sterven en dat hij nu minder gestraft werd door de duivel, omdat hij voordien nooit van Christus gehoord had en dus ook niet kon weten hoe hij had moeten handelen.
Hij was bang dat als hij het leven terugkreeg als Christen, dat hij toch weer de fout in zou gaan en hiervoor als Christen zwaarder gestraft zou worden.
Hierna vertrok het schip, maar al spoedig was er grote nood. Een wonderlijke draak of slang kwam met opengesperde muil op de boot af om het te verzwelgen. Op dat moment kwam er uit een wolk een dier, dat wel op een hert leek en deze verdreef de draak.

Na dit voorval werd de reis voortgezet, tot ze een kust ontwaarden. De Monniken trokken het schip op de kant en gingen het eiland op om hout te gaan zoeken. Toen ze begonnen te hakken schoot het eiland de diepte in, want het eiland was in werkelijkheid de rug van een enorme vis, waar bomen op groeiden.
Iedereen wist ternauwernood op het schip te komen en te ontsnappen.
Nadat ze haastig waren weggevaren, zagen ze een poos later een ijselijk monster uit de golven rijzen, half vrouw en half staart. Dit monster begon rond het schip te zwemmen, waarop Brandaan met zijn monniken begon te bidden. Hierop ging het monster vlak naast hun schip onder en konden ze verder varen.
Spoedig hierna kwamen ze bij een eiland, waar Brandaan veel zielen langs de oceaan zag lopen. Deze zielen moesten bittere kou weerstaan, maar ook grote hitte. Brandaan vroeg hen naar de reden en ze vertelden hem dat ze vroeger schenkers waren geweest, maar dat ze tijdens hun leven, als ze de armen te drinken moesten geven ze dit verzuimd hadden. Hierdoor moesten ze nu de hele dag met grote dorst langs het water lopen, zonder er van te kunnen drinken.
Ze vroegen Brandaan om voor hen te bidden, wat deze deed. Hierop werd door God toegestaan dat ze eenmaal mochten drinken. Hierop knielden ze allen voor Sint Brandaan om hem te bedanken.
Hierop ging Sint Brandaan verder en ondertussen schreef hij alles wat God hem liet beleven op in een boek.
Nadat ze waren weggevaren, kwamen ze in een storm terecht, welke het schip naar het noorden dreef, naar de Leverzee. Hier zag Sint Brandaan vele scheepswrakken liggen. Op een gegeven moment sprak een stem van Godswege en zei tegen Brandaan naar het oosten te varen. Er zouden in de Leverzee teveel stenen (magneten) liggen, die elk schip wat met ijzer was beslagen naar beneden trok.

De wind nam vervolgens het schip mee naar het oosten, naar een rots die opstak uit zee. Hierop zag Sint Brandaan een prachtig klooster staan. Brandaan klom hier alleen naar boven, naar het klooster.
Hier ontmoette hij zeven monniken, die in het klooster woonden en God dienden met toewijding. Hij hoorde van hen dat ze iedere middag hun eten - drieënhalf brood en een vis - werd gebracht door een duif en een raaf rechtstreeks uit het aardse paradijs.

Ze vroegen Brandaan of hij mee wilde eten, maar deze sloeg dit af, zeggende dat hij voldoende eten op de boot had. Hij vroeg de monniken voor hem te bidden, waarop een hemelse bode kwam met eten voor Sint Brandaan. Na het eten is hij weer aan boord van zijn schip gegaan.

Nu kwam er een zuidwestenwind die hen naar het noordoosten dreef, tot ze bij een rots kwamen die zo hoog was, dat de top niet te zien was. Op deze klomp steen zat een man alleen, die ruig behaard was als een beer.
Brandaan vroeg aan deze kluizenaar hoe hij daar kwam, waarop deze antwoordde dat hij bij het klooster hoorde waar Brandaan net vandaan kwam. Hij zat op deze steen een jaar minder dan honderd jaar en hij werd daar iedere dag door God van spijs voorzien.

Al die jaren had hij niemand gezien, Brandaan was de eerste. Deze vroeg de kluizenaar hoe het hem was vergaan. De kluizenaar vertelde dat hij ooit koning was, maar dat hij trouwde met zijn zus. Hij kreeg twee zoons bij haar. De eerste zoon had hij doodgeslagen en de tweede was door de bliksem getroffen. Hierna had hij ook zijn vrouw vermoord.
Om hiervoor boete te doen, was hij met een schip vertrokken om te gaan biechten bij de paus. Tijdens een zware storm was zijn schip met man en muis vergaan, maar hij wist deze rots te bereiken. Tijdens kou of storm kon hij schuilen in een nis. Hierop eindigde hij zijn verhaal en vroeg of Brandaan wilde vertrekken.
Sint Brandaan ging weer verder met zijn reis en stormen brachten hem nu bij een helleput, waar de zielen allemaal klaagden. Sint Brandaan vroeg aan de opzichter van de hel wat dat voor een lawaai was. Deze vertelde hem dat dit corrupte heren en lasteraars waren. Op deze plek werden dit soort zondaars gepijnigd aan hun tong.
De zielen vroegen Brandaan om voor hen te bidden, maar de duivel zei hen dat dit nutteloos was, omdat ze hier tijdens hun leven nooit aan gedacht hadden.

Hierop is Brandaan verder gegaan, maar door grote duisternis en een vieze stank, moesten ze stoppen. Hierop besloten ze er met een sloep op uit te gaan.

Ze kwamen bij een eiland, waar het schip niet bij had kunnen komen. Ze liepen langs een rivier naar een burcht die rijk versierd was. Al het houtwerk werd verhuld door een dikke laag robijnen. Overal waren kostbare kruiden en bomen. Ze liepen het kasteel in naar de grote zaal.
Hier werd een monnik door een duivel verleid om een mooie paardeteugel en bit te stelen.
Nadat ze dit kasteel verlaten hadden, zagen ze een nog fraaiere burcht staan, waar een krachtige oude man de wacht hield. Ook stond daar de engel Cherubin die niemand binnenliet. Alleen Sint Michiel mocht daar naar binnen, als hij een ziel begeleidde die naar de hemel ging.

Deze Sint Michiel greep een van de monniken en nam hem mee de burcht in, waarop Sint Brandaan besloot om terug te gaan, voor er niemand meer over was. Dit was namelijk de poort van het aardse paradijs.
Terug op het schip merkten ze dat de bodem van de zee van puur goud was. Nadat ze dit opgedoken hadden - waar ze later veel goeds mee tot stand hadden gebracht - hoorden ze een kabaal en zagen het bliksemen. Het was de duivel die de dief van de paardeteugel kwam halen. Deze werd nu door de duivel met veel geweld meegenomen.
Sint Brandaan wilde de monnik weer terug bij zijn bemanning en samen met de anderen bad hij tot God of de meegenomen monnik terug mocht komen, maar God zei dat de duivel recht had om zo te handelen. Hierop begonnen allen op het schip om de terugkeer te smeken, totdat God toegaf. De duivel was woest, maar bracht toch de monnik terug. Hij smeet hem hardhandig op het dek. De anderen herkenden hem nauwelijks, hij was smerig, zat onder het pek en onder de butsen en builen.

Toen Brandaan verder voer, kwam hij bij een dier, dat Sirene heet. Iedereen die het ziet of hoort zingen valt in slaap. Brandaan begon direct te bidden, want inmiddels sliep de stuurman al en het schip voer een brandende berg tegemoet.
Op dat moment kwam een kerel, lang en beroet de bergwand uit en schreeuwde dat ze zijn kant op moesten varen. Brandaan liet zijn schip die kant op varen, maar het bleek de duivel te zijn, die de teugeldief weer opeiste. Brandaan weigerde hem uit te leveren en beval zijn stuurman (die inmiddels weer wakker was) om terug te varen naar volle zee.
Hierop verschenen er nog meer duivels en deze zetten de achtervolging in op het schip, maar allen wisten te ontsnappen met Gods hulp.

Sint Brandaan stelde alles op schrift en hij dacht dat hij nu klaar was met de reis en weer mocht terugkeren naar huis. Maar een storm stak op en joeg hen ver weg over zee, tot ze bij een zee kwamen met vissen als kuddes vee. Brandaan dacht dat dit de Leverzee moest zijn. Hij wilde blijven om alles op te schrijven, maar de bemanning wilde verder, bang dat het schip beschadigd zou worden door deze vissen, maar Brandaan zei hen op God te vertrouwen.
Op een gegeven moment stak er een zachte bries op en zagen zij een monnik naderen op een drijvende aardkluit. Brandaan vroeg hem of hij iets kon doen, maar de monnik antwoordde dat hij hier al 99 jaar op dreef en dat hij gevoed werd door God.
Hij kwam uit de stad Vaserijn, waar men aan God geen boodschap had. Hiervoor heeft God de stad laten zinken en geen booswicht ontkwam aan de dood, behalve diegenen die God wilde sparen, die nu wachten op de dag des Oordeels in het klooster waar Brandaan al geweest was, of dreven, net als hij, op zee.

Hij zei Brandaan nu naar het noorden te gaan, waarop een felle storm opstak. Door deze storm legde het schip in korte tijd wel duizend mijl af. Toen zag Sint Brandaan in de verte een naakte man, die op een gloeiend hete steen zal, terwijl de vrieskou hem in het gezicht blies. Voor hem wapperde een doek om het ongerief weg te blazen. Brandaan vroeg hem wie hij was. Het bleek Judas te zijn, die omdat hij geen berouw getoond had en zelfmoord gepleegd had deze foltering moest doorstaan. Op zondag kreeg hij verlichting van zijn straf, maar hij zou spoedig weer gehaald worden door de duivel.
Brandaan wilde voor hem bidden, om hem nog een dag respijt te geven, wat hij gedaan wist te krijgen. De duivel was woest en verzekerde Judas dat hij hierna nog zwaarder gefolterd zou worden. Toen ze hem de volgende morgen kwamen halen, gebood Brandaan hen dat dit niet mocht gebeuren, maar de duivel lachte hem uit en ging er met Judas vandoor, waarop Brandaan de achtervolging inzette zo ver als mogelijk was.

Rook kwam uit zee, gruwelijk en goor. Ze voeren langs een rookgordijn naar waar een rots bleek te zijn. Ze hoorden een luid geklaag door iets dat op brandende vogels leek, totdat ze uit de berg een enorme vlam zagen komen. Hierop gelastte Brandaan iedereen om te gaan roeien om van die plek weg te komen. Het duurde twee jaar voor ze daar vandaan waren.
Uiteindelijk kwamen ze, doodvermoeid, bij een land Multum Bona Terre genaamd. De reizigers gingen hier aan land. Direct waren ze verlost van hun vermoeidheid en pijn. Ze zagen een enorme berg, waar een pad hen naar boven voerde. Op deze berg, de Mons Syone, zagen ze een burcht zo mooi en rijk als ze nog nooit gezien hadden. Ze gingen naar binnen en zagen de mooiste zaken.

Na een tijdje zei de verzengde kapelaan, dat het beter was om te vertrekken. Toen ze op hun schip kwamen, zagen ze opeens Walseranden anderen, die het schip niet meer konden bereiken. Walseranden hadden het hoofd van een zwijn, handen van mensen en poten van honden.
Sint Brandaan begon vanaf het schip te vragen, wie en wat zij waren. Hij kreeg als antwoord dat zij God beter kenden dan hij. Zij waren vroeger de engelen geweest van Lucifer, tot deze door zijn hoogmoed was gevallen. In zijn val heeft hij meegenomen. God heeft hen dit land gegeven als zoengeschenk, omdat zij zich afzijdig hadden gehouden van de strijd tussen God en Lucifer.

Brandaan zei dat hij in hun kasteel was, maar dat zij er niet waren. Dit kwam, zo zeiden ze, omdat ze hun land moesten verdedigen tegen duivels. Hierop vertrok het schip met de reizigers. Toen zag Sint Brandaan een klein mannetje dat dreef op een blad en bezig was, zoals hij zelf zei, de zee op te meten door alle druppels te tellen met behulp van een pipet. Brandaan zei dat hem dit nooit zou lukken, waarop het mannetje antwoordde dat het Brandaan nooit zou lukken om alle wonderen van God te aanschouwen voor de dag des Oordeels.

Een tijdje later zagen ze een enorme vis voor zich uit zwemmen. Deze vis was zo groot, dat toen hij zijn eigen staart in zijn mond stak, het schip van Sint Brandaan in deze cirkel lag. Ze voeren op deze manier 14 dagen in de ring en iedereen werd doodsbang, maar Brandaan zei hen op God te vertrouwen. Op dat moment werd het windstil, tot er een windstoot kwam, waarop het schip wegschoot en de vis naar de bodem van de zee zonk.

Ze voeren ze verder, totdat ze van de zeebodem allerlei geluiden hoorden. Ze hoorden priesters zingen, paarden hinniken en hondengeblaf. Het vreemde was nu dat ze hier niets van konden zien. Ze besloten het anker uit te gooien, maar deze werd beneden direct gegrepen en vastgemaakt. Zo lagen ze een tijdje te dubben wat ze moesten doen, tot Brandaan aan kapelaan Noë vroeg hoever ze met het boek waren, waarop deze antwoordde dat het boek inmiddels volgeschreven was. Hierop werd besloten om het anker door te kappen en terug naar huis te varen. Al snel hierna bereikten ze hun land. Het boek werd naar een klooster aldaar gebracht, waarop een engel tegen Brandaan zei, dat zijn reis nu ten einde was en dat aan hem nu de keuze was waar hij verder wilde leven, op aarde of in de hemel, waar zijn stoel al klaarstond. Hierop maakte Sint Brandaan zich voor alles klaar en zong zijn laatste mis en stierf. Op de plaats waar zijn lichaam begraven was bouwde men een kerk in zijn naam.

Bron: De reis van Sint Brandaan, vertaald door Willem Wilmink, uitgeverij ooievaar, ISBN 90-5713-508-6

Legende van de eerste kapel op Terschelling
De kerk van Hoorn - een legende

Tussen de dorpen Oosterbierum en Tzummarum stond in de vroege middeleeuwen het klooster Mariendal. De Kapelleweg ter plaatse herinnert heden ten dage nog aan dit oude bouwwerk.
Zoals u wel bekend zal zijn waren de kloosterlingen in die tijd nijvere werkers. Bij elk klooster behoorde bouwland en landerijen met vee. In 1233 werd dit oude klooster afgebroken en zuidelijker herbouwd. Nog noemt men de buurschap hier 'Klooster Lidlum'.
Het grondgebied van het klooster strekte zich uit tot ver in de huidige Waddenzee. In de middeleeuwen was dit deels moeras en deels vruchtbare weide grond.

Het was op een dag in oktober dat de kloosterboeren constateerden dat er een drachtige vaars was verdwenen. Gedachtig hun opdracht dat men altijd het verlorene weer moet zoeken, trok men er op uit om het dier op te sporen en weer bij de kudde terug te brengen.
Twee jonge monniken vonden het spoor van de vaars en trokken de kwelder op. Na veel zoeken troffen ze ver in het noorden het dier liggend aan. Wat bleek het beest lag in barensnood en het 'kalfde zwaar'.
Van nu naar huis terug gaan was geen sprake, beide mannen bleven bij het dier en verlosten het uiteindelijk van een prachtig kalf.

Wel was het inmiddels donker en mistig geworden. Wat nu te doen, hier de nacht doorbrengen in oktober op de koude kwelder lokte hun niet. Dus besloten ze voorzichtig huiswaarts te gaan, om beurten droegen ze het kalf, de vaars volgde gewillig. Na een tijdje lopen bleek dat men het spoor bijster was. Geen wonder, nacht en mist zijn geen goede gidsen. De moed opgeven was niet iets wat men in een klooster leerde, dus na een korte rustpauze vervolgden de beide mannen hun weg.
Uren ploeterden de monniken met hun vee door de kwelder. Totdat ze opeens bemerkten dat de grond waarop ze liepen geen klei maar zandgrond was. Zand was en is in noord Friese dreven een onbekend fenomeen. Dus begrepen de heren al spoedig dat ze op één van de waddeneilanden waren aangeland.  Bekaf vielen ze neer en besloten het daglicht af te wachten. Bij het dagen ontwaarden ze een landschap van duinen en kwelders, ze waren op Terschelling. Zoals in het klooster gebruikelijk begonnen de monniken de dag met het morgengebed. Hierin dankten ze de Heer dat hij hen op veilige bodem had doen landen. Na een rustpauze en ontbijt, men vond er zoetwater voor de koe en er was melk voor de mannen, besloten ze dat één van hen naar het klooster zou gaan om een kar voor het kalf te gaan halen. De andere zou hier wachten op zijn terugkomst.
Zo gezegd, zo gedaan. In het klooster was men danig ongerust geworden en ook daar dankte men de Heer dat de monniken veilig waren.

Na een periode van bezinning besloot men op het eiland aan de overkant uit dankbaarheid voor de veilige aankomst een kapel te bouwen. Na de voltooiing van klooster Lidlum was er ter plaatse veel kennis en materiaal voor handen. Op een mooie voorjaarsmorgen trok men met een ossenwagen over de waard om een goede plek voor de kerk te zoeken.
Men koos voor de kortste route en kwam weer op dezelfde plek op Terschelling aan. Hier op Terschellinger bodem herdachten de monniken hun nachtelijk dwalen. Deze weilanden hier werd later 'Besteen' genoemd wat niets anders dan bidstond betekent. Men spreekt zelfs van lange besteen en korte besteen.
Van daaruit trok men om de West. In Oosterend werd men opgewacht door een delegatie van de Oosterender buren. Wat of de heren hier kwamen doen. De broeders deden hun verhaal. Geen sprake van, geen kapel op hun grond en als die er ooit moest komen dan zouden ze haar zelf wel bouwen. Ja, zo waren die Oosterenders toen. Ze hadden het land aan bemoeienissen van buiten.

Daarom trokken de monniken westeruit. In Hoorn en Lies bleken de mensen veel gemoedelijker. Hier stond nog geen bedehuis. De buren van Hoorn en Lies wilden wel meewerken en samen met de inderslui zochten de kloosterlingen een geschikte plek. Precies in het midden van Oosterend en Formerum, op de grens van de hemrikken Lies en Hoorn, bouwden de Premonstratenzer monniken op een laag duin een kleine kapel. Honderden ossenwagens met bouwmateriaal werden vanaf de Friese kust aangevoerd.

De vaste drenkplaats voor de ossen was op de grens van Hoorn en Oosterend. Nog steeds noemt men deze plek de Ousedôbe.