Als uitnodiging

2 February 2025 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

‘Ik weet het niet,’ zegt Jeremia aan het begin van het Bijbelboek dat zijn naam draag. ‘Ik weet het niet, ik geloof niet dat ik hiervoor toegerust ben. U kunt beter iemand anders sturen.’ Jeremia staat in zijn aarzeling niet alleen. Profeten uit de Bijbel hebben wel vaker hun bedenkingen geuit over of zij wel zo geschikt waren. Het is zelfs een belangrijk onderdeel van de Bijbelse profetie: de klacht, de tegenwerping, de weigering omdat ‘ik het toch niet kan,’ ‘omdat ik niet echt geschikt ben.’ Jeremia is degene die daar van alle profeten uit de Bijbel wel het meest onder lijdt, dat juist hij het is die woorden van God moet doorgeven. Jeremia wordt niet geloofd, belandt erdoor bijvoorbeeld in de gevangenis. Er komt een moment dat hij moet vluchten voor zijn leven. Het zorgt ervoor dat Jeremia zich eenzaam voelt en verlaten. Maar ook Mozes bijvoorbeeld noemt talloze argumenten om aan te tonen dat hij zelf ernstig twijfelt aan zijn geschiktheid om de Egyptische machthebber de wacht aan te zeggen. Een profeet moet het hebben van de taal, van wat hij te zeggen heeft. Maar zegt Mozes bijvoorbeeld: ‘Neem me niet kwalijk, Heer. Maar ik ben niet zo’n goede spreker. Dat is altijd al zo geweest.’ Mozes kwam maar moeilijk uit zijn woorden. En er is een profeet bekend die er gewoon geen zin in had en er vandoor ging, zover mogelijk weg om zijn opdracht te ontlopen. Wat uiteindelijk niet lukt. 
Ook Jezus loopt er tegenaan, als hij teruggaat naar het dorp waar hij als kind was geweest en als jonger opgegroeid. Op sabbat wordt hij uitgenodigd om in de plaatselijke synagoge de schriftlezing te verzorgen. Ongetwijfeld ook een bijzonder moment voor Jezus zelf. Alles gaat er harmonieus aan toe en er ontstaat zelfs enthousiasme als Jezus verklaart dat die prachtige, krachtige en indrukwekkende woorden van de lezing vandaag werkelijkheid zijn. De toehoorders van Jezus zijn onder de indruk. Ze zijn blij met zo’n bekende voormalige inwoner. En ze zeggen: ‘U heeft al zoveel voor anderen gedaan, nu moet u ook iets voor ons doen.’  

Maar dan blijkt dat Jezus al een tijdje weg is uit Nazaret. Dat hij er anders tegenaan kijkt en meer gezien heeft dan alleen de plaats waar hij opgegroeid is en de mensen die daar horen. Dan wordt duidelijk dat Jezus ook anderen op het oog heeft, andere mensen dan de mensen die op deze sabbat in de synagoge verzameld zijn. Dat Jezus oog heeft voor wie er niet bij horen. De mensen met wie niet zo’n verwantschap gevoeld wordt door de mensen die hier verzameld zijn. Misschien zijn het wel vreemden, voor wie Jezus oog heeft. 
‘Er waren veel weduwen in Israël in de tijd van de profeet Elia,’ zegt Jezus. ‘Er was hongersnood vanwege jarenlange droogte. En toch stuurde God Elia niet naar een weduwe in Israël, maar naar een weduwe in het buitenland. En toen Elisa profeet was in Israël waren er best veel  mensen in Israël met een huidziekte, maar toch maakte de profeet Elisa niet hen beter, maar Naäman, en die kwam uit Syrië.’  
En zo blijkt dat Jezus laat zien dat onze religieuze traditie expliciet oog heeft voor deze mensen. De mensen over de grens, de mensen die niet tot onze groep behoren. Degenen ook tegen wie je zelfs vreemd aankijkt. Terwijl er bij ons dingen zijn die bij ons moeizaam gaan of niet lukken, pijnlijk zijn, hoe kan het dan dat hier iemand is die opgegroeid is bij ons, die uit het aloude boek naar voren haalt dat anderen meer lijken te delen in de genade van de Eeuwige? De ergernis in de synagoge begint om te slaan in woede. Het wordt er zelfs gevaarlijk voor Jezus. 

Deze eilandviering is een van de eerste tastbare vormen van het proces waarin we als kerken op Terschelling sinds enige tijd met elkaar betrokken zijn. Terwijl u misschien gewend bent aan uw eigen viering in uw eigen kerkgebouw, zijn we bezig om ook een ander patroon te laten groeien. 
‘Wat zie je, Jeremia?’ ‘Ik zie een takje van een amandelboom.’ ‘Dat heb je goed gezien.’ ‘Zo zeker als een amandelboom in het voorjaar uitkomt, zo zeker laat ik mijn woorden uitkomen.’ 
Ziet u het voor u? Zo’n boom waaruit aan de uiterste takjes iets zichtbaar begint te worden. Misschien kent u de toverhazelaar, die in deze tijd in bloei staat, met van die kleine gele bloemen, terwijl het voorjaar nog niet aangebroken is. Maar voor ons, als doopsgezinden, katholieken, protestanten en hervormden, is dit ons voorjaar. De maandelijkse eilandvieringen, waarin we elkaar elke eerste zondag van de maand ergens op Terschelling zullen tegenkomen, betekenen voor ons dat het seizoen aangebroken is, waarop alles in de natuur weer laat zien dat het leeft. Het wordt hierdoor lente in onze kerken. We gaan elkaar vaker tegenkomen in de setting van een kerkdienst dan tot nu toe het geval was. Het is de bedoeling dat het gevoel dat we bij elkaar horen als vanzelf hiermee wat meer body krijgt. Zo’n body, dat lichaam noemen we eilandkerk. 

De Amerikaanse schilder, van wie een schilderij op de voorkant is afgedrukt schilderde een feestelijk gebeuren. Het is een soort rondedans, waarbij elke danser een lint vasthoudt dat vanuit die boom bovenop de paal naar beneden komt waarom wordt  heen gedanst. Het is een groene boom in een verder besneeuwd landschap. Het is niet altijd voorjaar. Maar er is iets dat herinnert aan leven, aan groen. Wat u niet kunt weten is dat, wat u niet kunt zien is dat alle zes de mensen die daar aan het dansen zijn figuren zijn uit het leven van de schilder. Sommige van de personen die geschilderd werden waren op dat moment al niet meer in leven. Van alle personen zien we de gezichten niet. Maar allemaal dansen ze mee. Alleen, er zijn niet alleen niet zes, maar zeven linten zichtbaar. Waarmee de schilder laat zien dat er ook iemand mee kan doen, dat er op iemand gewacht wordt, de schilder zelf misschien of iemand die naar het schilderij kijkt. Er wordt zou je kunnen zeggen, op ons gewacht. Wil je ook mee doen met de rondedans? 

Samen vormen we één lichaam, beweert de schrijver van de eerste brief aan de Korintiërs. Een lichaam bestaat uit verschillende lichaamsdelen. Er zijn altijd wat van die lichaamsdelen die wat minder eer krijgen. De schrijver noteert dit overigens met veel plezier. Want iedereen kan zich daar iets bij voorstellen. Op sommige dingen van jezelf ben je minder fier dan op andere, van je lichaam. Zo’n lichaam is daarom vooral ook een wonderlijk geheel. Het is sterk en tegelijkertijd kwetsbaar. Het draagt je door de wereld en er kan zomaar iets mee gebeuren. Als alle delen goed met elkaar samenwerken is zo’n lichaam van ons tot grote dingen in staat. En uiteindelijk zal het hierbij om de liefde gaan.  

Maar goed, in de brief aan d Korintiërs wordt de kerk, de gemeenschap die we vandaag en elke maand vormen, voorgesteld als een soort lichaam. Lichaam van Christus. Waarbij we dus ook te maken hebt waar je graag naar kijkt en waar je plezier in hebt en wat je eigenlijk maar liever zo veel mogelijk verstopt. Sommige van ons hebben daar meer last van dan anderen. Dat heeft soms met oude wortels te maken. Met vervelenede ervaringen uit het verleden. Soms moet dat vertrouwen gaan groeien. Iemand belde me deze week op, die niet bij de voorbereiding van deze dienst kon zijn. Verdraagzaamheid, zei ze, is belangrijk. Maar goed, álles bij elkaar maakt deel uit van de kerk, van de gemeenschap. Niet alleen van onze afzonderlijke kerken, het geldt ook voor die eilandkerk die we samen vormen. Voel je thuis in die gezamenlijkheid, zeggen we tegen elkaar. Het is als uitnodiging bedoeld. Pak dat lint vast en dans op je eigen manier lekker mee.  

Lucas 4, 21 – 30, Jeremia 1, 4 – 12 en 1 Korintiërs 12, 27 – 31a

schilderij: Andrew Wyeth (1917 – 2009),Snow Hill, 1989