Lichamelijk

22 August 2021 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

Het zesde hoofdstuk van het evangelie van Johannes begint met een kind. Het is een jongetje. Hij wil zijn bezit delen met Jezus. Jezus die gemerkt had dat de mensen honger hebben. Dat ze eten nodig hebben. Jezus leerlingen staan met hun handen in het haar. Er zijn duizenden mensen daar aanwezig. Er is nooit genoeg om die allemaal van voedsel te voorzien. Op dat moment is dat kind er. Het is een jongentje. Hij heeft vijf broodjes bij zich en twee visjes. ‘Alsjeblieft’ zegt hij pardoes tegen Jezus. De leerling van Jezus die met het jongetje is meegekomen wil zijn gezicht redden. Hij zegt ervoor de zekerheid nog maar snel even bij: ‘maar wat hebben we daar nu aan voor zoveel mensen?’

Dat is wel ondertussen best een goede vraag. Waarom is dat een goede vraag? Nou, omdat dat heel vaak ook onze vraag is. De problemen zijn in onze ogen altijd groter dan wij zelf denken te zijn. Problemen groter dan onze eigen krachten, onze eigen middelen. Want ga maar na, wie zijn wij nu? Wat kunnen wij nou? We worden ook altijd overvallen door de problemen waarvan je achteraf denkt: dat hadden we toch wel kunnen zien aankomen? Maar kennelijk toch niet. En problemen hebben ook sterk de neiging allemaal tegelijk te komen.  
Jezus neemt de broodjes en visjes aan van het kind en verdeelt alles wat er is onder de menigte mensen. Het blijkt genoeg te zijn. Zelfs meer dan genoeg. Er is zelfs nog over.
Waar staat dat brood voor? Als het staat voor wijsheid, zoals in het bijbelboek Spreuken, dan is dat een feest, een geweldig feest, als er plaats blijkt te zijn voor iedereen!

Verderop in dit verhaal horen we Jezus zeggen dat hij het brood is. Ik ben het levende brood. Ik ben het brood dat leven geeft. Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het zijn uitspraken waarvan het evangelie stelt dat ze schokkend overkomen. Er zijn mensen die beginnen te protesteren. Ze zeggen: ‘hoe kan dat nou? Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoezo brood uit de hemel?’ Wat die mensen zeggen, dat klopt natuurlijk helemaal. Jezus is een mens. Alles aan hem is menselijk. Hij is, net zoals wij, geboren. Hij zal, net zoals dat voor ons geldt, ooit sterven. In zijn geval is dat een pijnlijke, gewelddadige dood. Oud zal Jezus niet worden. Misschien kent u de geschiedenis. Goede Vrijdag, Pasen. Jezus is in alle opzichten menselijk.
 
Overal in het evangelie vind je berichten die zich verzetten tegen de neiging om het Jezusverhaal te spiritualiseren. Verzet tegen de neiging er alleen maar iets geestelijks, zweverigs, iets psychologiserends van te maken. Overal in het evangelie vind je zinnen die zich scherp verzetten tegen een vergaande vergeestelijking van het verhaal van Jezus’ leven. Het evangelie van Johannes is daar in dit hoofdstuk zes zelfs snoeihard in. Er staan keihard lichamelijke zinnen in. ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem.’ ‘De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader, zo zal wie mij eet, leven door mij.’ ‘Het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld is mijn lichaam.’

Het brood is mijn lichaam, zegt Jezus. Dat valt op. Wat is dat: ‘mijn lichaam’? Waar denkt u aan, bij: mijn lichaam? Nou, laten we het eens proberen. Wat, dat kan ik namelijk ook vragen, wat is jouw lichaam? De vraag naar jouw lichaam is ook een vraag naar waar je vandaan komt. Wie zijn, wie waren je ouders? Hoe ben je grootgebracht? Wat heb je meegemaakt? Waar zitten je littekens? Wat toont jouw lichaam, dat ouder wordende lichaam? En hoe is dat met je geloof gegaan? Hoe heb je dat je eigen gemaakt? Sommige van ons beginnen hun leven met zo’n soort geloof. Maar de meeste mensen ontwikkelen hun geloof gaandeweg, met vallen en opstaan gedurende hun leven en reflecterend op de dingen die er gebeuren in de wereld rondom ons. Zoiets betekent dus ook dat er in dat geloof van jou veel van jouw leven zit. Dus ook van je lichaam, dat zo belangrijk voor je is, voor je leven. De pijn ervan, het geluk ervan. Die lichamelijke ervaringen van je.

Kijk, later, veel later in het evangelie komt er iemand aan het woord die echt niet kan geloven dat Jezus werkelijk is opgestaan. Jezus is gestorven. Laat het woord tot je doordringen. Gestorven. Ook aan zijn leven kwam einde. Ze leggen zijn lichaam in een grafkelder. Daarmee houdt het verhaal, zijn levensverhaal op. Maar de betekenis ervan wordt daarna gaandeweg steeds duidelijker. Want enkele dagen daarna zijn er mensen die zeggen dat ze Jezus gezien hebben. Dat hij uit de dood is opgestaan. Een van de twaalf leerlingen is daar steeds niet bij, bij die verschijningen van Jezus. En daarom zegt hij: ‘Ik wil éérst de wonden van de spijkers in zijn handen zien, en ze voelen met mijn vinger. Ik wil met mijn hand de wond in zijn zij voelen. Anders geloof ik het niet.’ Tomas heet deze leerling. Als Jezus dan uiteindelijk verschijnt als Tomas er ook bij is, zegt Jezus plompverloren aan hem: ‘Kom, voel met je vingers aan mijn handen en kijk goed, en voel met je hand in mijn zij.’  Hoe mooi is het als er mensen zijn, die niet zien, niet voelen en toch geloven! Jezus toont zijn lichamelijkheid.    
 

Nu is het zo dat in de kerk veel mensen als je hoort dat Jezus zegt: mijn lichaam, denken aan de eucharistie, aan het avondmaal, waarbij brood en wijn het lichaam en bloed van Jezus symboliseren. Maar aan dat laatste woord ‘symboliseren’ hoor je meteen alweer dat er iets gebeurt. Dat er aan dat lichaam en bloed iets verandert. Voor ons is het brood en wijn dat we eten en drinken als we het avondmaal vieren niet één op één het lichaam van Jezus. Het is iets symbolisch. En daarmee wordt het toch anders dan Jezus die zijn lichaam moest prijsgegeven. Jezus die sterft. En in het evangelie zegt dat zijn lichaam het brood is dat leven geeft. Daar heeft Jezus het werkelijk over zijn lichaam. Zoals ik ook een lichaam ben of heb, net zoals u dat heeft of bent. Zijn lichaam dat Jezus inzet tot het alleruiterste. Waarmee deze levensgeschiedenis van Jezus voor ons zo belangrijk is geworden. Belangrijk, juist als we een onbekend pad zullen moeten inslaan, dat we zullen gaan volgen. Dat geloof in het levensverhaal van Jezus is op zo’n moment belangrijk omdat het ons kan aanmoedigen om geloof en hoop te houden ook al is er misschien geen doel dat zichtbaar en voorstelbaar, bereikbaar is. Omdat geloof je de kracht kan geven om tot het uiterste te gaan.
Het verzet dat we in het evangelie tegenkomen tegen de overspiritualisering van de menselijkheid van Jezus is belangrijk, omdat we daardoor zien dat daar iemand is die welbewust met alle risico’s van dien zijn weg gegaan is. Gegaan is in zijn geloof. Het kan ons stimuleren om ook in ons leven onze weg te gaan in geloof, met behulp van ons vertrouwen, waarbij we uitgebreid putten uit het goede krachten die het Bijbelverhaal met ons deelt. Ook wij zijn daar lichamelijk bij betrokken. Je kunt het voelen als je hart geraakt wordt.

Dus waardeer het als je hart geraakt wordt door wat je ziet, wat je voelt, wat je meemaakt. Want ook dat is een teken van geloof.