Stress

25 July 2021 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

Stress! Dat is het. Het verhaal uit het evangelie van Johannes dat Betty ons heeft voorgelezen ademt spanning. Ten minste, aan het begin. Er zijn veel te veel mensen. ‘Onmogelijk,’ zegt Filippus tegen Jezus, ‘zelfs als we meer hadden dan dat beetje geld dat we bij ons hebben zou dat ook veel te weinig zijn om voor al deze mensen eten te kopen.’ Dus, ja, er is een probleem. En er is stress ontstaan bij Filippus. Hoe lossen we dit ooit op?

En dan, dat hoorde je al, op dat moment is er de broer van Simon Petrus, hij heet Andreas, een andere leerling van Jezus die erbij komt staan. Hij heeft iemand bij zich. En nu moet opletten, tenminste dat lijkt me verstandig. Want dat woord voor de iemand die Andreas bij zich heeft is in het Grieks paidarion. In dat woord zit, let op, twee keer een verkleining. Andreas heeft geen volwassene bij zich, het is een kind, maar eigenlijk is geen kind, het is een kindje. Als je er wat van wil voorstellen, van wat dit verhaal probeert te zeggen, kun je je het misschien beter zeggen dat Andreas zegt: kijk, hier hebben we een dreumes, en hij heeft vijf gerstebroodjes bij zich en twee visjes. Alles, werkelijk alles is in de verkleinende vorm. Gerstebroodjes zijn goedkoper, eenvoudiger dan andere broodjes. De twee vissen die het jongentje bij zich heeft zijn gedroogde visjes. Alles is in de verkleinvorm. Het jongentje, de broodjes, de visjes. En vijfduizend mensen hebben honger.
 

Omdat het zo’n klein kind is, zou het misschien kunnen, kun je het je voorstellen? dat hij de stress, de verlegenheid, de ongemakkelijkheid heeft aangevoeld of opgepikt en heeft gezegd: ‘kijk, kijk, hier ik ik ik ik heb wel.’ Een kindje dus met in zijn handen ene paar broodjes en visjes, een aanbod waar alle verstandige, volwassen mensen helemaal niets mee kunnen. Misschien aandoenlijk, dat wel. Niemand van de volwassenen kan daar iets mee. Jezus wel.  

In Deutreronomium, die andere lezing, vraagt Mozes aan de gemeenschap van Israël of zij zich nog kunnen herinneren ooit jarenlang door de woestijn te hebben geploeterd. Dat het een ingewikkelde tijd was, het werd beleefd als een beproeving – zou je het wel vol kunnen houden? Er werd honger geleden, maar toen kwam er voedsel dat ze nog nooit eerder hadden gezien. Manna? noemden ze dat, voedsel dat dus de merkwaardige naam ‘wat is dat’ draagt. het geeft al aan dat de mensen er gemengde gevoelens bij hadden. Het was elke dag voldoende, maar je kon het niet bewaren. Dat is lastig als je vooruit wil kijken, als wilt plannen, als je zelf je toekomst wilt organiseren. Het werd nooit meer. Is het wel voldoende? Is het genoeg? Het was altijd voldoende. Voor elke dag.

Dan wil ik je op een woord wijzen. Ik heb er nu eenmaal voor doorgeleerd, dus dan vindt u het misschien ook wel aardig als u daar iets van meekrijgt. ‘Veertig jaar lang,’ zegt Mozes, ‘duurde die reis door de woestijn, en toch raakten jullie kleren niet versleten.’ Dat woord voor ‘kleren’ is in het Hebreeuws simlah en dat is niet zomaar een gewoon, algemeen woord voor kleding. Simlah is eigenlijk het woord voor een mantel, een jas dat het Hebreeuws ooit geleend heeft van hun Egyptische buren. Eigenlijk een Egyptisch leenwoord. Dus het concrete van de ervaring om vanuit Egypte, waaruit ze gevlucht waren maar een beetje rond te sloffen door een onbekend en onoverzichtelijk gebied, waar je de weg niet kent, waar je niet thuis bent, maar waar je doorheen moet om ergens te komen, deze ervaring wordt heel precies weergegeven door dat specifieke woord voor kleding, dat hier gebruikt wordt. Je kunt ook zeggen: ze hadden hun Egyptische buitensportjas nog aan toen ze na veertig jaar in het beloofde land kwamen. Voedsel voor elke dag, niet meer niet minder en dezelfde jas. Het was een beproeving. Ze kwamen wel verder, maar je vestigen? Het was genoeg, echt waar, maar het hield niet over. Nog steeds diezelfde jas. Het was een beproeving die bedoeld was om ze voor te bereiden op het land van belofte waar ze zich zouden kunnen vestigen. Of je daar wel capabel voor bent.   

Toen Jezus aan Filippus vroeg waar ze eten zouden kunnen kopen voor al deze mensen, die in zo’n grote menigte hier bij hen aanwezig waren, toen had het evangelie van Johannes daaraan toegevoegd dat Jezus die vraag aan Filippus gesteld had om hem op de proef te stellen. Jezus wilde zien hoe Filippus hierop zou reageren. Nou, dat was dus vol stress. Filippus riep uit dat zoiets onmogelijk was. En toen, weet u wel, toen kwam er zo’n jongetjes, een kind nog met een beetje, nou ja, u heeft het gehoord, die dat gaf, die dat aanbood. En dat bleek voldoende te zijn in de handen van Jezus. Nou ja, voldoende, er was zelfs over.
Misschien kent u de gelijkenis van het mosterdzaadje. Een onooglijk klein zaadje. Als het uitgroeit wordt het een boom waar vogels in nestelen. Je moet dus dat kleine zaadje op waarde kunnen schatten. Of  de gelijkenis van dat zaad in de akker. Er zijn vogels die het zaad eten en wegpikken voordat het kan ontkiemen, er zijn dorens en distels die veel harder groeien en de groei van het graan verhinderen en er is zaad dat niet eens in de akker valt, maar gewoon op de weg en daardoor niet kan wortelen. Maar het zaad dat wel in goede aarde valt dat groeit, dat bloeit, dat zorgt voor een enorme opbrengst. Maar daarvoor dien je dus eerst te zaaien. Je zou ook kunnen zeggen te geven. Want dat, dat geven is het centrum van alles. Zoals je je leven hebt gekregen en het voedsel dat je in het begin van je leven nodig had, de liefde die je net zo hard nodig hebt, de baan misschien die je kreeg, je kinderen, dat huis van je, de aarde die je bewoont, van alles is het centrum, de kern het geven. Zoals Jezus zegt dat je juist door te geven merkt dat je ontvangt. ‘Wie geeft zal gegeven worden.’ Het is een systeem van geven. Of van ontvangen, dat kun je ook zeggen, maar dan met het geven in het centrum.

En zo staat dus het beetje voedsel maar wat dit kind bij zich heeft en aanbiedt, wil geven aan iedereen model, zo staat deze manier van geven, gewoon geven ook al kun je helemaal niet overzien of het genoeg is, net zoals je niet weet welk zaadje uit zal groeien in de akker, zo staat deze manier van geven model voor de echte mogelijkheid om te ontvangen. Om te ontvangen dat er meer dan genoeg is. Dit systeem van geven creëert de mogelijkheid om te ontvangen. Terwijl de stress van Filippus niets opleverde. Nou ja, niets, misschien dat dit dreumesje iets aanvoelde van de verlegenheid, de nauwelijks ingehouden paniek.

De nerveuze spanning van een volwassen leerling van Jezus wordt in dit verhaal gecontrasteerd met het eenvoudige, simpele, niet calculerende aanbod van een klein kind.

Als we dit verhaal gehoord hebben en er iets van begrepen, dan kunnen we deze ervaring zien als een zaadje dat we zomaar onderweg, toevallig, tegenkomen. En als je er misschien iets van kunt begrijpen, dan opent dit verhaal overal poorten van inzicht.
Maar haast je niet,. Dit leren begrijpen is een geleidelijk proces. En soms loop je er zomaar tegenaan., Zoals hier vanmorgen, in dit verhaal.     

Johannes 15, 1 – 15 en Deuteronomium 8, 1 - 6