Verrtrouwen

2 July 2021 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

Je kunt je afvragen hoeveel vertrouwen je nodig hebt. En hoe dat werkt, dat vertrouwen. Ja kijk, als alles goed gaat of als alles goed lijkt te gaan, dan is het niet zo moeilijk. Dan is vertrouwen niet zo ingewikkeld. Misschien denk je het dan niet eens nodig te hebben. Het is dan vergelijkbaar met mensen met veel geld die zeggen geld niet zo belangrijk te vinden. Nee, vind je het gek! Geld wordt pas belangrijk als je er weinig, of te weinig van hebt. Met vertrouwen is het ook zo. Je hebt het pas echt nodig als je in de knel zit. Je moet er pas een beroep op doen als het erom spant. Als je lekker aan het surfen bent op golven van geluk is vertrouwen veel minder fundamenteel.

Hier, in het verhaal uit Johannes  hebben we te maken met iemand van wie thuis een kind ziek is. Daarom zoekt deze vader Jezus op. Met de vraag of Jezus misschien met hem mee wil gaan om zijn doodzieke zoon beter te maken. Je voelt het misschien al, vertrouwen in Jezus, is voor deze man op dit moment cruciaal. Het gaat hier om een zaak van leven en dood. Zijn kind is ziek. Maar Jezus blijkt niet iemand te zijn die invoelend en enthousiast op het dringende verzoek van de vader reageert.

Volgens het evangelie van Johannes heeft deze aarzeling van Jezus een reden. Er zit hem iets dwars. ‘Wat is dat toch met jullie? Jullie geloven alleen als je wonderen ziet!’ De ergernis hierover van Jezus zet het verhaal onder spanning. Wijst Jezus het verzoek van de vader met zijn zieke zoon af?
Maar wacht eens even! Heb je soms niet gewoon een wonder nodig? Is er soms niet echt iets bijzonders nodig om je te kunnen redden? Om je er doorheen te slepen? Ongetwijfeld. Maar het evangelie vraagt dan wel aan ons wat dat dan voor een geloof is, als dat alleen steunt op de uitzondering, alleen op het buitengewone. Wat heb je daaraan in je gewone leven? Wat is dat voor een geloof, als dat in z’n  geheel blijkt te steunen op het zien, het meemaken van wonderen?
De afwijzing door Jezus is aanleiding om nog maar eens aan te dringen: ‘Ga toch alsjeblieft mee om mijn zoon beter te maken!’ Maar wat heb je daaraan? Waarom zou je iemand willen pushen, iemand in het beeld van wonderdoener willen vangen, terwijl hij zichzelf ertegen verzet? Waarom zou je iemand in een bepaald hokje willen duwen? 

 

Even uitzoomen. Deze scène is namelijk onderdeel van een reisverhaal. Jezus reist van buiten, van de Samaritaanse stad Sichar naar binnen, naar de provincie Galilea. En al vroeg in dat verhaal maakten we kennis met de gemengde gevoelens van Jezus. Galilea is namelijk de provincie waarin Jezus opgegroeide. En de schrijver van het evangelie noteert in dit verband dat hij zich herinnert dat Jezus ooit gezegd moet hebben dat een profeet in zijn vaderland niet wordt geëerd. Met een ongemakkelijk gevoel keert Jezus hier dus terug. Maar toch wordt Jezus er, we kunnen niet anders zeggen, hartelijk ontvangen. Hoewel Jezus het gevoel blijft hebben dat dat eigenlijk komt omdat hij weer in de buurt van Kana is, misschien weet je dat nog wel, dat stadje in Galilea waar Jezus op een bruiloft te gast was en toen de wijn op bleek te zijn van water wijn had gemaakt. Dus toch weer, we horen Jezus denken, dus toch weer om het bijzondere wat ik daar gedaan heb, daarom ben ik hier welkom. Alsof je alleen maar ergens welkom bent als je iets in de aanbieding hebt, of als je een cadeau bij je hebt. Gewoon jij, dat is niet genoeg. Twee hoofdstukken eerder lezen we hierover een onthullende passage. Let maar eens op.
Hoofdstuk 2 vers 23. “Jezus bleef in Jeruzalem om het Joodse paasfeest te vieren. Veel mensen gingen in hem geloven toen ze zijn wonderen zagen. Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hen allemaal kende. Niemand hoefde hem iets over hen te vertellen. Want hij wist precies hoe mensen van binnen zijn.” Hoor je dat mensen ook weleens zeggen= ‘Ik weet precies hoe die in elkaar steekt.’ Daar spreekt  meestal weinig sympathie uit.

Daarom is het iets moois wat erin dit verhaal van ons vandaag plaatsvindt. De vader die aandringt aan. ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’ Waarop Jezus gezegd moet hebben: ‘ga maar, ga maar naar huis, want je zoon leeft.’ In het verhaal staat dat de man inderdaad naar huis gaat, niet vanwege een wonder dat hij meegemaakt had, maar omdat hij geloofde wat Jezus tegen hem gezegd had.

Ga maar naar huis, zegt Jezus, je zoon leeft.

Wat kan helpen? Welke woorden kunnen helpen? Welke woorden kunnen jouw bestaan ondersteunen? Om dat te ontdekken zou je kunnen beginnen met wat er is niet voor vanzelfsprekend te houden. Je zou kunnen beginnen met ook wat er tegen je gezegd wordt, om dat niet voor vanzelfsprekend te houden. Blijft er dan eigenlijk wel iets over dat vanzelfsprekend is? Is er iets dat vanzelf spreekt?

Voor Jezus is deze man, die bij hem komt vanwege zijn zieke kind en die op Jezus’ woord naar huis gaat om daar te ontdekken dat zijn kind leeft, voor Jezus is deze man het onvanzelfsprekende. Want hier ontmoet Jezus iemand die zijn woorden vertrouwt, zonder een wonder te zien. Voor deze man is Jezus de onvanzelfsprekende. Want Jezus gaat niet met hem mee, Jezus verricht geen zichtbaar wonder, behalve dat hij woorden vindt en spreekt die kennelijk helen en die kunnen beschermen.

Deze woorden hebben ook wij vandaag meegekregen.

Johannes 4, 43 - 54