Er zijn berichten over Jezus in de evangeliën waaruit je kunt begrijpen dat Jezus zich soms bedreigd voelt. Hij neemt dan de wijk en trekt zich terug. Op een berg bijvoorbeeld om er te bidden, als het hem teveel wordt. Wanneer hij rust zoekt, zoals we dan lezen. Of wat we hier hoorden, dat Jezus besluit om op reis te gaan. Op reis terug, terug naar Galilea waar hij is opgegroeid. De reis zal door de provincie Samaria gaan naar Galilea, waar Jezus vandaan komt, en daar vissers en tal van andere mensen als zijn leerlingen ooit heeft meegevraagd. Werkelijk praktisch iedereen van de groep mensen met wie Jezus onderweg is komt daarvandaan. Tijdens die reis van Judea in het zuiden naar Galilea in het noorden, gaat Jezus onderweg ergens zitten. Zomaar ergens? Nou echt niet. Het was rond het middaguur, in de buurt van twaalf uur ‘s middags. Het moment waarop het nogal warm moet zijn. Vermoeid van de reis gaat Jezus zitten bij een bron. In de provincie Samaria. Bij de bron van Jakob zitten. Op waarvan gezegd wordt dat het het stuk grond is dat Jakob, één van de aartsvaders, toen hij zijn einde voelde naderen, had overgedragen aan zijn zoon Jozef. Let wel, dat historische moment vond ooit plaats in Egypte, waar de familie toen naar uitgeweken was, vanwege hongersnood. Dus in Egypte beloofde Jakob een stukje land aan zijn zoon Jozef, een stuk grond uit het land Israël, dat Jakob ooit gekocht had. Later toen Jozef zelf gestorven was, werden zijn beenderen door het volk op hun uittocht uit Egypte door de woestijn meegevoerd. Aangekomen in het land van belofte werden ze begraven op dat stuk land dat Jakob aan zijn zoon had overgedragen.
Daar zijn we dan, daar is het. Op die plaats bij de bron van Jakob, die daar in Jezus’ dagen te vinden is, gaat Jezus zitten. Hij is er alleen, want zijn leerlingen zijn erop uit om in de stad iets van eten te kopen. Maar kijk, daar komt iemand aan die er water komt putten. Het is een vrouw, iemand van daar, een Samaritaanse vrouw. ‘Geef me alsjeblieft iets te drinken,’ zegt Jezus. Deze vraag is het begin van een heel gesprek. Wanneer Jezus de vrouw, de Samaritaanse vrouw bij de bron ontmoet in het vierde hoofdstuk uit het evangelie van Johannes, dan ontmoet hij iemand die een opvallende tegenstelling vormt met alles wat eraan voorafging. Een hoofdstuk hiervoor, in het derde hoofdstuk praat Jezus met Nicodemus, en spreekt hij een mannelijk lid van de joodse gevestigde orde. Hier is Jezus in gesprek met een vrouwelijk lid van een vijandig volk. Nicodemus heeft een naam, de vrouw is naamloos. Het enige wat we van haar weten is, is dat volgens gebruikelijke normen er nogal een afstand zou moeten bestaan tussen Jezus en deze vrouw. Maar sociale codes worden hier doorbroken, als Jezus de vrouw onder vier ogen spreekt. Let op: met wie Jezus als eerste persoon in het evangelie een gesprek aanknoopt. Bij Nicodemus was het meer een betoog van Jezus, terwijl Nicodemus enkele vragen stelde. Dit is echt een gesprek, van hart tot hart, een serieus theologisch gesprek bovendien, over de grond van het bestaan. Waar leef je van? Wat heb je nodig om werkelijk te kunnen leven? Over de bron dus, zonder wie je niet kunt leven, de bron die water geeft. Levend water, zoals Jezus aan de vrouw zegt. ‘Iedereen die water uit deze put drinkt, zal weer dorst krijgen. Maar als je drinkt van het water dat ik je geef, krijg je nooit meer dorst. Want het water dat ik geef, blijft altijd in je. Het is een bron waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’
‘Mijn punt is,’ heeft de in 2018 overleden Amerikaanse bevrijdingstheoloog gezegd, ‘mijn punt is dat iemands sociale en historische context niet alleen beslissend zijn voor de vragen die we richten tot God, maar ook voor de manier waarop of de vorm waarin deze vragen worden beantwoord.’
Door aan een Samaritaanse vrouw die water komt putten levend water aan te bieden tart dit gesprek dat Jezus met haar voert, de gangbare manier van denken en doen. Jezus verwijst hiernaar door over het verschil te spreken tussen de vrouw en hemzelf. Want de een vereert God op de berg Gerizim, maar de joodse gemeenschap vereert God in de tempel in Jeruzalem. ‘Geloof me,’ zegt Jezus, ‘er komt een nieuwe tijd. We vereren God dan niet hier op de berg Gerizim of in Jeruzalem. In die tijd, die nu een aanvang neemt, die aan het beginnen is, wordt God vereert niet meer op één speciale plaats. De hemelse God zal vereert worden op een nieuwe manier.’
In de eerste lezing, die uit het boek Jesaja, in deze lezing wordt gesproken, gezongen, over een bron van redding, waaruit vol vreugde water geput zal worden. In elke tijd, ook in de onze, met alles waarmee wij te maken hebben we zo’n bron nodig.
De Spaanse mysticus Jan van het Kruis heeft toen hij gevangen zat een gedicht geschreven dat beroemd is geworden. Het heet Vertrouwd is mij de bron. Ik lees een paar strofen voor. Misschien dat het ons helpt om dichter bij de bron van levend water te komen.
Vertrouwd is mij de bron die springt en stroomt, al is het nacht.
Die eeuwige bron ligt diep verborgen
en toch weet ik waar zij wordt gevonden, al is het nacht.
In deze donkere nacht van het leven heeft het geloof mij die koele bron gegeven,
al is het nacht.
Haar oorsprong ken ik niet, ze heeft er geen,
Maar dat uit haar alles opwelt weet ik zeker, als is het nacht.
Ik weet dat niets haar schoonheid kan evenaren
en dat hemelen en aarde zich aan haar laven
als is het nacht.
Dat zij bodemloos is laat zich raden
alsook dat niemand haar kan doorwaden, als is het nacht.
ik weet dat haar helderheid nooit wordt geschonden en dat alle licht aan haar is ontsprongen, als is het nacht.
Ik weet dat haar stromen zo overvloedig vloeien dat ze hemel, hel en aarde besproeien, als is het nacht.
En zo gaat het nog enkele strofen door. In zijn commentaar schrijft Jan van het Kruis dat geen menselijke kennis volstaat om dit alles te kunnen begrijpen. En geen ervaring om het te kunnen zeggen, alleen wie er doorheen is gegaan zal het kunnen aanvoelen, maar niet zeggen.
Wat mooi is het om hier niet alles van te hoeven begrijpen, niet alles van te weten, maar er soms iets van aan te kunnen voelen. De vreugde van dit verhaal over het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron, kan ons daarbij helpen. Er iets van aan te voelen. Van die bron van levend water.
Johannes 14, 1 - 42 en Jesaja 12
