Dat is de vraag. De vraag hoe je reageert, wanneer iemand met wie je optrekt tegen je zegt dat voor hem of voor haar het leven niet lang meer duurt? Hoe reageer je dan? Dat hij of zij begrepen heeft dat de tijd om verder te leven opeens erg beperkt is. Als je daarvan op de hoogte wordt gebracht? Als iemand dat vertelt, dat ze dat horen heeft gekregen? Wat gebeurt er dan met je? Misschien weet je geen woord meer uit te brengen. Voel je je lamgeslagen, voel je angst? Maar wat ook kan, is dat je de neiging hebt om zo snel mogelijk allerlei dingen te gaan regelen, zodat dat tenminste en ook hopelijk in orde is. Met het idee: als dat maar klaar is. Misschien dat we ons daar dan geen zorgen meer over hoeven te maken? Dat zoiets misschien wat rust kan geven?
Zo zie ik, wat er aan de hand is in het verhaal dat Joke ons heeft voorgelezen. Hoe Jezus zijn leerlingen ervan op de hoogte stelt dat de Mensenzoon uitgeleverd zal worden aan mensen die hem zullen doden. Je kunt je voorstellen dat ze zich rot schrikken, de vrienden van Jezus. Maar Jezus gaat verder. Drie dagen later, zegt hij, zal hij opstaan uit de dood.
Bij elkaar genomen is het zichzelf genomen, voor zijn leerlingen, een uiterst verwarrende mededeling.
Voor Jezus is dit echter, zo maakt Marcus ons duidelijk, niet in de eerste plaats een mededeling. Jezus wil, zo beschrijft het evangelie het, Jezus wil zijn leerlingen iets leren. Over hoe je kunt geloven. Jezus geeft zijn leerlingen onderwijs, door te zeggen dat hij gedood zal worden. Én dat hij zal opstaan uit de dood. Dood. En opstanding.
Onderricht, zegt Jezus, daar ben ik mee bezig. Ik wil mijn leerlingen wat meegeven. Dat de weg van Jezus niet zo zal zijn van steeds weer een stapje verder of het gaat z’n gangetje. Zoals Jezus’ leerlingen eigenlijk gedacht hadden dat het zou gaan. Zoals wij misschien geneigd zijn om meestal te denken. Dus in die situatie, de situatie waarvan je kunt denken dat het leven zoals het nu is, wel ongeveer zo verder zal gaan, in deze situatie biedt Jezus hen zijn geloof aan. Geloof dat pas werkelijk iets is in openheid voor God, die dat geloof verandert. Want juist waar Jezus’ leerlingen hun greep op de situatie kwijtraken, door die mededeling van Jezus, die in Jezus’ ogen onderricht is, juist als zijn leerlingen de greep op de situatie kwijt zijn, daar vinden ze in de ogen van Jezus werkelijk geloof. Het is geloof waarin de plaats van de verloren gegane zekerheden wordt ingenomen door hoop. Niks is zeker, helemaal niks, maar in die situatie kan ook geloof zich niet baseren op de zekerheden waar we gewoonlijk vanuit gaan, omdat die zekerheden in feite geen zekerheden zijn. Dus als dat blijkt, dat we wat we eerder voor zekerheid aannamen, dat dat wegvalt, dat dat helemaal geen zekerheid blijkt te zijn, maar een illusie, dan lijkt het alsof dat geloof ook aan kracht verliest. Kan het zelfs zo lijken alsof het geloof verdwijnt. Dat is iets wat erg logisch is, omdat je je geloof hebt laten steunen op wat niet vast en stevig is. Op een illusie. Dat zo’n proces pijnlijk kan zijn, behoeft geen betoog. Maar als de zekerheden zijn weggevallen, dan pas kan de hoop de lege plaats in het geloof gaan innemen. De lege plaats die ontstaan is wordt dan ingenomen door de hoop. Hoop die het binnenste van het geloof is. Terwijl alle uiterlijkheden zijn weggevallen.
Het verhaal gaat verder en vertelt hoe Jezus een kind midden in de groep leerlingen zet, in de armen sloot en zei: wie in mijn naam een van zulke kinderen ontvangt, ontvangt mij en wie mij ontvangt, ontvangt niet mij, maar de Ene die mij gezonden heeft.
Helemaal in overeenstemming met deze woorden van Jezus wordt de belangrijkste plek op het tafereel boven de ingang van het poortgebouw dat toegang geeft tot de abdijkerk Notre Dame in de Bretonse plaats Daoulas, helemaal in overeenstemming met de woorden van Jezus wordt de belangrijkste plaats ingenomen door een kind. Het ligt letterlijk in het middelpunt. De andere figuren zijn er rond omheen gegroepeerd. Allemaal richten ze zich naar het kind. Met een houding die eerbied uitdrukt. Het tafereel wil de geboorte van Jezus uitbeelden. Maria en de engelen door het feit dat ze knielen en de handen in aanbidding hebben gevouwen. De engelen benadrukken dat zelfs in de hemel, waar God woont, dit kind het allerbelangrijkste is. De zittende houding van Jozef duidt aan dat hij in gedachten is, aanwezig bij het wonder dat hij ziet. Jozef wordt in de geboorteverhalen omschreven als iemand die luistert naar wat een engel hem in een droom vertelt en daarnaar handelt.
Het boek dat hij bij zich heeft, is dicht geslagen. Hij leest er niet in; hij kijkt naar het kind, en kijkt met aandacht. Hij heeft alleen oog voor het kind. De ruimte, de afstand tussen het kind en zijn ouders valt op. het is de afstand van de eerbied. Het kind is het allerbelangrijkste. Dat idee wordt nog eens – bijna letterlijk - onderstreept en gedragen door de figuurtjes onder de sokkel waarop het kind ligt. We zien in het midden een sterke man, geflankeerd door twee kerels met een stok. De weerloosheid van het kind gaat alle wereldse macht en geweld te boven.
Dit gaat niet alleen over onze lijfelijke kinderen of over mensen die geen positie hebben, dit gaat ook over het kind in mij en in ieder ander. Over de binnenkant van het geloof, de binnenkant die bekleed is met hoop. De hoop die helpt om je niet af te sluiten voor wat mogelijk kan zijn. Niet voor wat je verwacht dat er gebeurt, maar voor het onverwachte dat ook mogelijk kan zijn.
Jezus’ leerlingen waren onderweg juist bezig geweest met een interessant gesprek. Ze waren aan de praat geraakt over wie eigenlijk de belangrijkste van hen was. Ze waren dus bezig om alvast wat zaken te regelen voor het geval Jezus niet meer bij hen zou zijn, als hij gedood zou zijn. Helaas ontkwamen ze niet aan een voor de hand liggende valkuil. Het gesprek over wie dan van hen de belangrijkste zou zijn. Wie was de favoriete leerling van Jezus? Bij wie zou de erfenis van Jezus het meest veilig zijn? Een gesprek dat niet zonder ijdelheid en zelfingenomenheid gevoerd werd.
De brief van Jakobus windt er geen doekjes om. ‘God keert zich tegen mensen die zichzelf belangrijker vinden dan anderen.’ ‘Voor wie nederig is, is God goed.’
En voegt daaraan toe: ‘Spreek geen kwaad van elkaar, want wie kwaadspreekt van een ander ondermijnt het vertrouwen.’
Het zijn praktische adviezen over hoe met elkaar om te gaan. Ze zijn uit het leven gegrepen.
Marcus 9, 30 - 37 en Jakobus 3, 16 - 4 , 6
