Ergens, ergens is er een begin. In ons geval, tenminste als we dit persoonlijk opvatten, is dat begin er wanneer we geboren worden. Op het moment dat we tot leven kwamen. Dat was dus zoveel jaar geleden, en toen, toen zagen we voor het eerst het levenslicht. Dat is dus wat je noemt echt een begin. Dit begin betekent dan wel dat er ook een einde zal komen. Want aan het leven, aan elk leven, komt een einde. Ooit, eens een keer. Dat weten we omdat ‘gaan leven’ ook met zich meebrengt dat we zullen sterven. Ooit, eens, zal dat gebeuren. Maar zolang het nog niet zover is, is dat op een voor ons nog onbekende tijd.
Waarschijnlijk nóg belangrijker is dat we sterven al meemaken, terwijl we leven, het sterven van mensen die in ons midden van ons heengaan. Dát sterven van hen, dat maken wij mee. Terwijl wij leven en nog verder leven, maken we dat mee van de mensen die ons voorgaan. Misschien was je bij dat sterven nauw betrokken. Hield je je adem in. Waarna dat vreemde, op zijn minst onwennige gevoel, het gevoel te weten dat hij of zij er niet meer is, elke dag nog bij je kan zijn.
In het verhaal uit de Bijbel over ‘in het begin’ is er ook meteen al sprake van een einde, zoals je hoorde toen Berend het voorlas. Want de dag die begint, eindigt ook weer. Met de avond en met een volgende morgen. Een volgende dag. Alsof dus een begin daar ook altijd ook een einde inhoudt. Als er gezegd wordt ‘laat er licht zijn en er was licht, God zag dat het licht goed was’ dan was er daardoor ook donker, want het betekent dat licht wordt gescheiden van duisternis. Die duisternis, dat is het donker, het donker van de avond, van de nacht totdat uiteindelijk met het geleidelijk weer licht worden de volgende morgen zal aanbreken.
Traditioneel worden deze zinnen gezien als de eerste regels van een verhaal over de schepping van hemel en aarde, maar hierbij valt het op dat het verhaal de structuur heeft van een dag en een nacht. Zoals ons leven zich trouwens ook meestal over de jaren heen uitstrekt van geboorte naar dood, maar toch de structuur kent van telkens weer een dag en een nacht. Hou oud ben je? Ik heb die leeftijd, zeg je als antwoord en je noemt je levensjaren, maar jouw leven zelf voltrekt zich altijd van dag tot dag, met een dag en een nacht. Een dag die je, daar lijkt het soms op, moet zien door te komen, en een nacht waarin je als het goed is, rust kunt vinden. Want die nacht is dan wel donker, maar het is ook wel fijn dat die nacht er is, de nacht waarin alles tot rust kan komen, ook jij hopelijk, als je kunt gaan slapen. Want de dag kan lang duren en kan veel van je vergen. Na die dag komt de nacht waarin ook nog licht is, licht is van de maan en van de sterren, zoals verderop in het verhaal over het begin wordt gezegd. De lichten aan de hemel bij dag vier. De nacht dus waarin je rust zoekt hoort erbij. Zoals we ons ook wel voor kunnen stellen dat het goed kan zijn als je na een lang leven je adem ook weer terug kunt geven aan de bron waaruit je die adem ooit gekregen hebt.
Tegelijkertijd kan het ook heel moeilijk kan zijn als je iemand moet missen met wie je sterk verbonden bent geweest, die er zomaar niet meer is. Ingewikkeld of ook wel mooi als je merkt in je leven nog je steeds sterk verbonden te zijn met diegene, ook als is hij of zij niet meer in leven. Iemand vertelde de ervaring te hebben dat zo iemand op een bijzondere manier als het ware meer aanwezig lijk te zijn in je leven, dan toen diegene nog in leven was. Zoals ik vrijdagochtend merkte toen ik bij de hoofdingang van De Stilen naar binnen ging en onwillekeurig toch weer schuin naar boven keek naar het balkonnetje van het appartement, ooit, van Arie en Klazien Buren. En door dat balkonnetje aan hen dacht. Als voorbeeld van de talloze plaatsen waarop je door iets zomaar aan iemand moet denken. Rouwen betekent niet loslaten, maar anders leren vasthouden.
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van God.’ Dat zijn de woorden waarmee Jezus zijn toespraak, begint. Een soort zegenspreuk is het. ‘Gelukkig wie treurt, ‘gaat het verder, ‘wie zachtmoedig is, wie verlangt naar gerechtigheid, wie barmhartig is, zuiver van hart, wie vrede sticht.’ Hier spreekt iemand, die begrijpt en erkent dat het leven een worsteling kan zijn. Zo nu en dan een worsteling, soms een worsteling, of heel vaak. Geen mens die daar niet mee te maken heeft. Wij allemaal hebben er mee te maken.
Een worsteling waarmee je op verschillende manieren om kunt gaan, dat wel. Als het dan niet gaat zoals ik hoopte, dan wordt in de Bergrede tegen mij gezegd dat ik niet moet ophouden met vertrouwen hebben in gerechtigheid en hopen op rechtvaardigheid. Niet moet ophouden om te geloven in troost, in barmhartigheid, in het koninkrijk van de hemel. Verlies nooit de hoop, zegt Jezus. Ook niet als het niet zo gaat als je verwacht, verlies dan niet de hoop.
Jezus spreekt hier mensen aan, die een leven vol zorgen hebben. De strijd om het bestaan kan een harde strijd zijn, in allerlei opzichten. Mensen met zorgen hebben het soms niet getroffen, zou je kunnen zeggen. Overal zijn er mensen die pech hebben. Soms ervaren ze dat er op hen neer wordt gekeken. Terwijl het juist zo belangrijk kan zijn, dat weet u waarschijnlijk ook, om je gewaardeerd te voelen, gerespecteerd te worden, gezien te worden. Zoals je bent. Ook al ben je misschien in een ander leven terecht gekomen. En precies dat is het wat Jezus hier doet. Uit de woorden aan het begin van de Bergrede spreekt respect voor de mensen die het zwaar hebben. Het wijst ook de mensen terecht die de nederigen van hart minachten. Pas er mee op, zegt Jezus, om andere mensen als minder te beschouwen en ze meewarig aan te kijken. Hoed je ervoor, kijk er voor uit om op iemand neer te kijken.
Impliciet spreekt Jezus dus ook de mensen aan, die denken dat ze het met zichzelf in het bijzonder getroffen te hebben. Vaak zijn dat mensen die menen geen hulp nodig te hebben. Terwijl juist wie treurt, wie nederig is, zachtmoedig, barmhartig juist denkt het op eigen kracht niet te zullen redden. Die weten dat je hulp nodig kunt hebben. Zij proberen het vertrouwen te koesteren, dat er iemand is die zal helpen. Iemand die voor hen op zal komen, die het voor hen op zal nemen. Iemand die hen niet in de steek zal laten. Grote kans dat ze in dit geval die Iemand spellen met een hoofdletter. Ook al zullen ze zich misschien niet kerkelijk of gelovig noemen.
De Bergrede begint niet met geboden of met opdrachten, maar met zegenspreuken. Dat zijn we niet gewend. Want meestal wordt bij ons een wijsheid gepresenteerd als iets waar je eerst heel erg je best voor moet doen, en pas daarna zal het goede resultaat volgen. Hier in de Bergrede wordt dat omgedraaid. Je bent gezegend als het leven niet altijd eenvoudig voor je is. Als je merkt dat je je best moet doen.
Vorig weekend schaatste Femke Kok een wereldrecord op de 500 meter sprint. Zij geldt hierdoor als de grote favoriet voor goud op de Olympische Winterspelen in Milaan begin februari. Haar coach Gerard van Velde had de wedstrijd thuis op de bank gezien. Hij had z’n ogen bijna niet kunnen geloven. En hij zei: ‘Tussen nu en februari zijn er nog genoeg hobbels te nemen. Je moet blij zijn met vandaag, en morgen gewoon weer je best doen.’
Matteüs 5, 1 – 10 en Genesis 1, 1 - 5
