Een deur

25 August 2025 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

Ik had het ook liever gehad dat ik tegen ons allemaal zou kunnen zeggen: ‘Allemaal welkom! De deur staat open!’ Maar Jezus zegt in  het evangelie van Lucas iets anders. ‘Het is nogal een smalle deur, de deur die toegang biedt tot het koninkrijk van God.’ En hij vervolgt: ‘Je moet dus erg je best doen om binnen te komen. Er zullen veel mensen zijn die het proberen, maar zonder dat het ze lukt.’ 
Naar aanleiding hiervan dacht ik: een smalle deur. Oké, smal, maar wat is dat eigenlijk, een deur, smal, of breed? Hoe vaak per dag maak ik gebruik van een deur om ergens te komen? Meestal gedachteloos. Om van buiten naar binnen te gaan, of andersom? Om maar wat te noemen: een autodeur of de deur een winkel in, een kantoor in, op de boot of gewoon de deur die toegang biedt tot een andere kamer? De huisdeur. De kerkdeur! Ontelbare malen maken wij gebruik van een deur om een overgang te maken, een transitie, om ergens binnen te komen of ergens weg te gaan. 
Op de voorkant van uw liturgieblaadje zie u een deur, die in tegenstelling tot de deur uit het evangelie juist nogal groot is, maar liefst drie en een halve meter hoog. Je kunt er makkelijk doorheen. Misschien voel je je, als je er doorheen gaat, zelfs wat klein, alsof je een kind bent dat gebruik maakt van een volwassen deur. 
Deze deur is een kunstwerk dat staat op de Wilhelminapier in Rotterdam, vlakbij het nieuwe Fenix, het museum dat daar staat en over migratie gaat. Dit museum staat precies op de plaats waar in de 19e en 20e eeuw veel landverhuizers, emigranten vertrokken zijn op zoek naar een beter leven, naar een nieuw leven. De deur die hier staat, staat dus symbool voor de toegang tot een andere wereld, een overgang die zoveel mensen telkens weer maken, ook in onze tijd. Een grote deur is als toegang naar een nieuwe wereld. Tegenwoordig noemen we deze mensen vaak migranten, vluchtelingen, asielzoekers. Ook om aan te geven dat het heel wat kan kosten om die overgang te maken. 
Een deur dus. Welke deur zou je door willen gaan? Of welke overgang zou je in je leven willen maken?  

Jezus antwoordt overigens niet direct op de vraag die hem onderweg door zomaar iemand gesteld wordt. ‘Meneer, is het waar dat er maar weinig mensen gered worden?’ Jezus antwoordt niet in directe zin op deze vraag, maar zegt: ‘Doe alle moeite om door de smalle deur naar binnen te gaan, want velen, zeg ik jullie, zullen proberen naar binnen te gaan maar er niet in slagen.’

In het vervolg van de Schriftlezing verschuift het beeld. Er ontstaat een ander schouwspel. De smalle deur verdwijnt naar de achtergrond, maar het beeld van de deur blijft. En gaat het om een deur die alleen van binnenuit open kan worden gedaan. Een dichte deur. Er staan mensen voor. Ze willen naar binnen. Ze roepen: ‘Heer, doe open!’ Maar die heer des huizes zal zeggen: ‘Ik ken jullie niet. Waar kom je vandaan, ik wil jullie niet meer zien, onrechtplegers.’ Ze komen dus niet binnen, de mensen voor de deur. Hier in deze voorstelling is het niet zo dat je alle moeite moet doen om naar binnen te komen, nee, hier ben je afhankelijk van iemand, iemand die van binnenuit de deur kan openen. Van binnenuit wordt de deur geopend. Of niet. De suggestie in het Bijbelgedeelte is, dat die iemand Jezus is.  

Eerst die smalle deur. Verderop in dit evangelie wordt verteld dat mensen ook kleine kinderen bij Jezus probeerden te brengen, om ze door hem te laten aanraken. Jezus’ leerlingen laten merken daar niet blij mee te zijn. Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God is er juist voor wie is zoals zij. Luister naar mijn woorden: Wie niet als een kind het koninkrijk van God ontvangt, zal het zeker niet binnengaan.’

Jezus noemde de smalle deur. Als we dat serieus nemen, dan is duidelijk dat je beter door een smalle deur naar binnen kunt, als je zelf wat minder ruimte inneemt. Als je wat smaller, als je wat kleiner bent. Een kind bijvoorbeeld zou zonder moeite naar binnen kunnen. En voor een kameel, zegt Jezus in het evangelie, is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, makkelijker dan voor iemand die rijk is om het koninkrijk van God binnen te gaan. Het lijkt dus alsof het nodig is om wat te verliezen, om naar binnen te gaan, dat je gewicht moet verliezen. En dan hebben we het hier niet over lichaamsgewicht, maar over iets anders. We zijn zo groot, we maken onszelf zo breed, zo lukt het niet om binnen te komen. Wat kleiner, wat nederiger zou ons helpen, bijvoorbeeld door te beseffen en te aanvaarden precies die persoon te zijn die je bent, voor God. De nederigheid om niemand anders te willen zijn, dan jezelf. OP niemand anders te lijken, dan jezelf. Hoe zou je kunnen verwachten binnen te komen door de smalle deur als je probeert ook nog eens het leven van een ander te leiden? 

Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, worden hier onze verwachtingen omgedraaid. Wij zijn gewend op te kijken naar grote en machtige mensen. Het lijkt alsof we van hen afhankelijk zijn, van wat zij doen en van welke beslissingen zij nemen. En we denken ook te weten dat dat zo is. Zij bepalen wat er gebeurt. Maar Jezus wijst ons een andere richting. Maakt ons opmerkzaam om op een andere richting te letten. Telkens weer komt dat naar voren in het evangelie. Niet onder de indruk te zijn van groot en machtig, maar van bijvoorbeeld een mosterdzaadje, zo’n mini zaadje, waaruit een grote boom groeit, van een klein beetje gist dat in staat is een heel brood te laten rijzen, onder indruk te zijn van een klein beetje zout dat het hele eten z’n smaak geeft. Telkens weer wijst Jezus hierop. Op een kind. 

De schilder Picasso heeft zich ook op zo’n manier als Jezus uitgedrukt: ‘Als kind tekende ik als Rafaël, de bekende Italiaans schilder uit de Renaissance. ‘Maar ik had een heel leven nodig om te tekenen als een kind.’ Over deze uitspraak werden wel grappen gemaakt, zo van dat een kind inderdaad gemakkelijk zo kan schilderen als Picasso. Maar daarmee wordt betekenis van de uitspraak van deze Spaanse schilder geen recht gedaan. Picasso probeerde goed te kijken, hij was iemand die een bijzonder waarnemingsvermogen had, zo was hij een bewonderaar van vogels, die ’s nachts kunnen zien. Picasso onderzocht alles, als een kind, om er de werking van begrijpen en er de geheimen van te doorgronden. En dát, wat hij begrepen en gevonden had, weer te geven in zijn kunst. 

In de volgende scène, waarover Jezus vertelt, staan er mensen voor de deur die naar binnen willen. Maar dat lukt niet. De deur wordt opengedaan en ze horen: ‘Ik ken jullie niet, waar komen jullie vandaan? Weg met jullie, plegers van onrecht.’ Waarschijnlijk citeert de evangelieschrijver een zin uit de zesde Psalm. In Psalm 6 is iemand aan het woord die zich bedreigd voelt. Hij vreest voor zijn leven. Nadat hij zijn zorgen geuit heeft en heeft gevoeld dat God zijn tranen heeft opgemerkt, vindt hij nieuwe moed en zegt. ‘Ga weg van mij, vijanden, jullie doen alleen maar kwaad.’ 

Gelukkig zijn en blijven er mensen die voor elkaar zorgen. Die geraakt worden door het leed van anderen. Die proberen te helpen, hoe dan ook. Deze onderlinge zorg is er en is niet afhankelijk van kerk of godsdienst. Het evangelie leert ons echter dat die zorg om het kwaad in de wereld en de zorg om mensen die erdoor getroffen worden geen incidentele last is of een vluchtig sentiment, maar van betekenis is, omdat alle mensen delen in Gods zorg. Deze zorg is de oorsprong, de dragende grond en doel van het bestaan. Dat mensen geneigd zijn om voor elkaar te zorgen is een teken van Gods zorgzaamheid. Onze treurnis, het verdriet om wat anderen voor vreselijks overkomt is een aanwijzing voor Gods mededogen. Wij zijn kortom van elkaar afhankelijke wezens, wij zijn  met elkaar verbonden door wederkerigheid, door solidariteit en door liefde. Wat telt, zijn mensen die voor elkaar opkomen. Die samenwerken in plaats van elkaar te beconcurreren.  Daarvoor wordt de deur van binnenuit geopend. Om mensen erdoor naar binnen te laten, het zijn de mensen die wij misschien nog niet opmerken. Ze komen, om met Jezus te spreken, uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden., van overal vandaan. Ze zullen feestvieren, ze zullen aanliggen bij het feestmaal in het koninkrijk van God. 

Lucas 13, 22 – 30