De profeet die we kennen als Amos is afkomstig uit Tekoa, een plaats die 20 kilometer ten zuiden van Jeruzalem ligt, in Judea. Amos was een schapenfokker en een kweker van moerbeivijgen. Omdat hij zijn klanten zowel voor de wol van zijn schapen als voor de vijgen overal gehad kan hebben, nemen we aan dat hij veel reisde en dus ook in het noorden, in Israël kwam, waar hij zijn godswoorden sprak. Als een priester in de plaats Betel daar een hekel aan hem begint te krijgen, omdat Amos zo kritisch is, probeert deze Amasja Amos weg te jagen. ‘Ziener,’ voegt hij Amos toe, ‘Ziener, ga weg. Ga terug naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, dit is de koninklijke tempel.’ Je moet opletten hoe Amos hier op reageerde: Hij zei: ‘Maar ik ben helemaal geen profeet en ook geen leerling van een profeet. Ik ben veeboer en teler van vijgen. Maar het is de Eeuwige die mij heeft weggehaald bij mijn schapen. Hij heeft tegen me gezegd: ‘Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.’ Amos reageert zo verbolgen, omdat die priester het voorstelt alsof hij voor brood de godswoorden zou spreken. Amos ‘ik ben een boer met schapen en vijgenbomen’ zegt dat hij zelf z’n brood wel kan verdienen.
In zijn boodschap richt Amos zich tegen de praktijk van afgodendienst, die hij ziet ontstaan, tegen sociaal onrecht, de afpersing en uitbuiting van armen. Afgodendienst, ja dat klinkt ons wellicht vreemd in de oren, maar heet komt er eigenlijk op neer – dat is afgodendienst dat je vertrouwen stelt in wat het vertrouwen niet waard is. Die dingen die wij zelf tot goden maken, zijn dat niet waard. Het zijn de goden die wij zelf gemaakt hebben. Ze lijken mooi, waardevol, belangrijk, maar hun karakter is het dat ze ons niet dragen, maar dat wij ze moeten dragen. Eerst lijkt het nog wel wat, maar gaandeweg wordt dat wat wij tot afgoden maken steeds meer tot een last. Het drukt op ons. Alsof ze ons in bezit nemen, alsof we gevangen zijn. Er zijn altijd dingen die neiging hebben om tot een afgod uit te groeien, tot iets waarvan je denkt er niet, er nooit buiten te kunnen. En die je dus ook zo gaat behandelen, als een afgod. Eer bewijzen. Waardoor je langzamerhand bezig bent te verdwalen in een ingewikkeld doolhof.
God daarentegen vind je niet in wat wij zelf gemaakt hebben. Het zijn de levens en de geschiedenissen van mensen die de vindplaatsen van God zijn. Jodendom, christendom en islam bekeren de wereld daarom door middel van verhalen. Het zijn verhalen van hoop, terwijl hopeloosheid of cynisme ‘ze doen maar’ onze stille afgod kan worden. Hoop in christelijke zin is overigens niet hetzelfde als dat het allemaal wel goed zal komen. Hoop daar is de dingen zien in het licht waarin ze door God geschapen zijn. Het licht waarin God deed zeggen dat zijn schepping ‘zeer goed’ is, in het eerste hoofdstuk van Genesis. Het betekent daarmee ook dat wij wie wij zien als onze concurrenten, onze tegenstanders of als onze vijanden in de eerste plaats mensen zijn, als schepselen van de Eeuwige. En dat wij ze dus ook zoals mensen gaan zien. Als schepselen. Als zeer goed, dus. Als kerkgemeenschap hebben we daarom altijd de opdracht om de tekenen van deze tijd te doorzoeken en ze te gaan zien in het licht van het evangelie. Het is in deze tijd (in elke tijd) dat we die tegenspraak nodig hebben. Om ons te laten storen door het inzicht dat het zin heeft te luisteren naar de God van liefde en alles te gaan zien in het licht van zijn aanwezigheid in onze wereld om ook van daaruit te leven en te denken.
‘Met een schop kan ik niet overweg. Graven, dat is niks voor mij, en bedelen, daar schaam ik me voor.’ Aldus de rentmeester, die wegens oneerlijkheid ontslagen is. Hij zal de bakens moeten verzetten, want ja, waar kan hij zijn levensonderhoud anders vandaan halen, nu zijn welvermogende opdrachtgever hem de laan uit heeft gestuurd? En dus besluit hij het snel anders aanpakken. Hij probeert een wit voetje te halen bij de mensen voor wie hij bemiddeld heeft bij zijn opdrachtgever. ‘Kom maar hier met je schuldbekentenis,’ zegt hij tegen de ene. ‘Hoe groot is je schuld?’ ‘Honderd vaten olijfolie,’ krijgt hij te verstaan. ‘Hier is je schuldbekentis,’ zegt hij, ‘maak er snel vijftig vaten van.’ Ook aan de volgende stelt de rentmeester dezelfde vraag: ‘Hoe groot is jouw schuld?’ ‘Honderd zakken graan,’ krijgt hij te horen. ‘Hier is je rekening, maak er maar tachtig zakken van.’
‘Goed gedaan,’ zegt de opdrachtgever tegen de rentmeester, die hij ontslagen had vanwege oneerlijk gedrag. ‘Goed gedaan, je hebt je problemen verstandig opgelost.’
Hé, wat vreemd, denken we. Zo krijgt zijn opdrachtgever toch een kleinere opbrengst?. Hoe kan het dan dat hij de oneerlijke rentmeester prijst? Die heeft hem toch benadeeld? Hoe kan het dat hij wordt geprezen? Waarom wordt hij geprezen?
Maar als we dat denken vergissen we ons in de manier waarop het toenmalige economische systeem in elkaar zat, dat eigenaar, rentmeester en pachters met elkaar verbond. Door er wat af te halen, van de schuld die zijn klanten hebben, brengt de rentmeester het verschuldigde bedrag terug tot het werkelijke bedrag, waarmee de schuld uitstaat. Een rentmeester kon een opslag rekenen voor de kosten die hij maakt. In de praktijk ontving deze tussenpersoon een woekerrente, en dat is precies het probleem waar de profeet Amos zo tegen ageert. Met het omlaag brengen van de schuld tot het reële bedrag handelt hij eerlijk, misschien wel voor de eerste keer in zijn leven als rentmeester. De commissie die hij zou krijgen scheldt hij kwijt. Waarmee hij in zijn eigen vlees snijdt, misschien wel voor het eerst. En hiervoor wordt hij geprezen in de gelijkenis van Jezus. Omdat wat de rentmeester hier doet ten koste gaat van zijn eigen verdienste. Omdat hij, misschien wel voor het eerst, een groter belang onderkent. Het belang van een langere termijn, van een breder perspectief, van niet allen zijn eigen belang. Iets anders belangrijker dan alleen zijn eigen leven. Bijvoorbeeld de gemeenschap. Die gemeenschap die hem nu, zo hoopt hij, zal willen ondersteunen. Zoals hij met zijn actie, misschien was dat nieuw in zijn leven, ook de gemeenschap ondersteunt.
Jezus zegt: Wie te vertrouwen is als het gaat om de kleinste dingen is dat ook met grotere dingen. Jezus zegt ook, althans zo is het overgeleverd in het evangelie: Als je niet al niet te vertrouwen bent met dat ellendige geld, als je oneerlijk bent, dan vertrouwt niemand jullie met de dingen die echt belangrijk zijn. En als je niet te vertrouwen bent met dingen van een ander, wie zal je dan geven wat je nodig hebt?
De rabbi was hardop aan het bidden in de synagoge. Eén van zijn leerlingen hoort hoe de rabbi zijn gebed afrondt. Hij hoort de rabbi bidden: ‘Zo moge het zijn, God, als het tenminste waar is dat u bestaat.’ Had hij het goed gehoord? Verbaasd over dit slot stapt de leerling op de rabbi af. ‘Wat hoor ik nu, rabbi? Twijfelt u aan Gods bestaan? U bent toch rabbi? Niemand in de stad is vromer dan u. Hoe kunt u denken dat God misschien niet bestaat?’
De rabbi keek zijn leerling ernstig aan en antwoordde: ‘Stel je voor dat ik straks iemand tegenkom die in grote nood verkeert. Dan moet ik er rekening mee houden dat God niet bestaat. En dat ik de enige ben die deze mens in nood op dat moment te hulp kan schieten.’
Lucas 16, 1 – 13 en Amos 8, 4 - 9
Een opdracht
21 September 2025 - Preek - Hervormde Gemeente Oost
