Er is een gebied waar je maar liever niet komt. Je gaat het liever uit de weg. Je kent er de weg niet. Je zou er zomaar kunnen verdwalen. Onherbergzaam is het er. Wat zou je er ook moeten? Je zou niet durven. Het is er gevaarlijk. Er zijn wilde dieren, die het op je voorzien hebben. En het water is er schaars. Misschien overleef je het niet.
Het is een gebied zonder wegen. Straten, lanen en wegen, ze worden ergens anders aangelegd als ze er moeten komen, die nieuwe wegen. Daar is de woestijn niet voor, om het woord van de profeet Jesaja te gebruiken, want over de woestijn, daar hebben we het over. De woestijn, de wildernis. Een gebied waar je liever niet komt.
Die woestijn, dat is ondertussen best een groot gebied. Want de gebieden waar we misschien liever niet willen komen, die zijn behoorlijk uitgestrekt. Meestal doen we alsof dat wel meevalt, maar soms, soms komt er iemand uit ‘de woestijn,’ en dan blijkt dat diegene ons wat te vertellen heeft. Iets wat we misschien wel vermoed hadden, maar waar we liever niet bij stilstonden. Diegene vertelt ons iets ongemakkelijks. Dat merk je dan soms in de samenleving, als er weer iets opgehelderd moet worden. Uit het verleden. Over de oorlog, de holocaust, de slavernij, over Nederlands Indië, over hoe de wereld in elkaar steekt in onze tijd. Soms zeggen we dan tegen elkaar: dat wisten we niet, we wisten niet dat het zo erg was. We hebben er nooit echt bij stilgestaan, want we dachten dat we wel ongeveer wisten hoe de vork in de steel stak, maar nu zien we in dat het toch anders blijkt te zijn.
En ook persoonlijk, ook in jezelf kan er een gebied zijn dat we liever niet betreden, omdat het riskant voelt om er naar binnen te gaan. Wie weet wat je allemaal tegen kunt komen?
Nu is het bijzondere van dit hoofdstuk uit het boek van de profeet Jesaja dat hierin de woestijn, de wildernis van zijn dreigende angstige karakter wordt bevrijd. De woestijn, schrijft de profeet, zal vrolijk zijn, juichen en bloeien. Bloeien als een lelie. En verder gaat de beschrijving van de woestijn, maar het lijkt alsof de profeet niet een woestijn, maar een lusthof, een prachtige tuin aan het beschrijven is. Alle zintuigen gaan open. Iets waar je eerst blind voor was. Blind? Welnee, we kunnen de rijkdom van de woestijn zien. Iets waar je eerst niks over hoorde. Doof? Echt niet! We kunnen de geluiden horen, van het water dat stroomt. Water! In de woestijn! Wie gewoonlijk niet vooruit kon komen krijgt nieuwe moed en zal lopen, zelfs dansen en springen. Wie lang geen woorden kon vinden zal gaan spreken, zelfs zingen.
Het meest verrassende, het meest bijzondere bewaart de profeet voor het slot van de tekst. Er loopt een weg! Door de wildernis loopt een weg. Kijk nou eens! In de wildernis is een weg aangelegd! Notabene. Onbegaanbaar, bijna ondoordringbaar gebied wordt ontsloten. Iemand heeft ons geholpen. Het is een weg die een naam heeft. We noemen hem: de heilige weg. Langs die weg zullen de ooit weggevoerde mensen kunnen terugkeren. Ze stralen van blijdschap. Ze zingen van geluk. Langs die weg, kunnen we ook zeggen, komt naar voren komen wat tot dan toe verborgen was.
Bij een weg aanleggen, hoef je niet te denken een imposante laan. Het kan ook een pad, een paadje zijn. Zoals bijvoorbeeld het Rode Kuis op vele plaatsen probeert te doen. Of bijvoorbeeld het Parents Circle Family Forum (PCFF), een organisatie van de 700 Israëlische en Palestijnse families die een familielid verloren hebben in het conflict dat al jaren gaande is. Sinds 7 oktober is hun werk moeilijker geworden. De CrossBorder-vredeseducatieprojecten op middelbare scholen, waarbij de meeste Israëlische kinderen voor het eerst een Palestijn ontmoetten, zijn door de huidige regering in Israël afgeschaft. Het zou gevaarlijk zijn. Maar Parents Circle is niet voor één gat te vangen. Ze begonnen een buitenschools vredesprogramma waarin Israëlische en Palestijnse kinderen drie maanden onafhankelijk van elkaar werkten om elkaar daarna via Zoom te ontmoeten. Een echte ontmoeting zat er niet meer in, want de Israëlische checkpoint in de afscheidingsmuur zitten dicht. De kinderen gaan in de zomervakantie naar Cyprus om daar met Turks- en Grieks-Cypriotische kinderen te praten over vrede. (Groene 8.08.24)
In het verhaal uit het evangelie van Marcus is er een dove man die ook nog eens moeite heeft met spreken. Jezus neemt hem apart, maakt hem vrij van anderen, ook van hun misschien goede bedoelingen, goede bedoelingen die niet altijd goed uitpakken. Jezus buigt zich naar de man toe en helpt en bevrijdt hem van zijn beperking door hem liefdevol aan te raken. Met zijn vingers raakt hij zijn oren aan. Jezus raakte de tong van de man aan met zijn eigen speeksel. Jezus keek omhoog naar de hemel, gebruikte op een nadrukkelijke manier zijn adem, door diep te zuchten en riep toen in zijn eigen moedertaal, in het Aramees: Effata, ga open.
So far so good en het is niet voor niets dat Marcus ons dit vertelt, omdat voor hem de bevrijding die Jezus brengt niet centraal genoeg kan staan. Ook al betreurt Jezus het dat over de genezing rondverteld wordt. Het is niet bedoeld, deze genezing, als een wonder. Wat Jezus doet is bedoeld om te helpen.
Maar als we alleen daarop letten zien we waarschijnlijk iets belangrijks over het hoofd. Marcus vermeldt namelijk in zijn beknopte relaas ook de manier waarop de man die geholpen wordt daar bij Jezus aankomt. Op de afbeelding op de liturgie is dat heel mooi weergegeven. Er zijn mensen die de man daarbij geholpen hebben om bij Jezus te komen. Als we in het taalveld van de profetenlezing willen blijven, kun je zeggen dat er mensen zijn die gezorgd hebben dat er voor deze man een weg is aangelegd door de woestijn, zodat het voor hem mogelijk was om bij Jezus te komen.
Deze week vertelde iemand me dat zij als ze ergens op de fiets naar toe moet, naar iets waar zij tegenop ziet vaak een liedje zingt. ‘O mijn ziel houdt goede moed/voor de dag van morgen,/God zal in zijn overvloed/voor zijn kinderen zorgen.’ Misschien kent u het ook, voor mij was het nieuw.
Maar in de brief aan de Efeziërs wordt ook zo’n soort lied geciteerd. Het is waarschijnlijk een doophymne. ‘Ontwaak gij die slaapt/sta op uit de dood,/en Christus zal over u stralen.’
Want er komt een moment waarop je kunt ontwaken, waarop het tijd is om wakker te worden, omdat het licht is geworden. Wanner is het zover? Dat moment doet zich voor als je beseft dat het ogenblik nu is gekomen, als je merkt dat de morgen aanbreekt, als je begint te ontdekken dat er ook een weg is door de woestijn en dat je mee kunt helpen met het aanleggen van zo’n weg. En dat zelfs, zelfs de woestijn kan bloeien.
De verhalen en teksten uit de Bijbel zijn het, die ons hieraan herinneren. Zoals de Brief aan de Efeziërs vandaag tegen ons zegt. ‘Kom uit het donker! Sta op uit de dood! Laat het licht van Christus in je leven schijnen.’
Marcus 7, 31 – 37, Jesaja 35, 1 – 10, Efeziërs 5, 15 - 20
Een weg
18 August 2024 - Preek - Hervormde Gemeente Oost
