Een reisverhaal, dat is de vorm waarin Lucas ons zijn verhaal vertelt. Dat verhaal over Maria en Jozef en hun kind dat vannacht geboren wordt. Een reisverhaal, maar ze gaan niet op vakantie, helemaal niet. Omdat er een decreet is van de keizer, die wil weten hoeveel belasting er geïnd kan worden, daarom gaan ze, moeten ze op reis. Het valt op, er is altijd en altijd weer behoefte aan meer inkomsten, vooral voor de vele Romeinse legioenen die van uitrusting en bewapening voorzien moeten worden.
Maar dat is niet waar dit verhaal ons de ogen voor wil openen. Terwijl de legioenen de samenleving in de greep houden is er ook andere beweging gaande. Dát wordt verteld. Die beweging haalt de geschiedenisboeken niet, die staat, zoals u begrepen heeft, in de Bijbel. En in uw hart en dat betekent iets, maar dat komt zo meteen aan bod.
Zo’n reisverhaal geeft structuur. Zoals we het soms ook over ons eigen leven kunnen hebben en dan zeggen dat iets toen en toen gebeurde of dat je toen daar was, ons bestaan lijkt ook wel, zou je kunnen zeggen, op een soort reis, een levensreis. Dus ook wat dat betreft is er een connectie tussen dit verhaal en ons leven. Dit verhaal vindt hiermee een manier om over het universum te praten, over het leven.
En de schrijver, die doet z’n best om er wat van te maken. Want er is geen plek waar Maria haar kind te rusten kan leggen in het verblijf waar mensen die tijdelijk in Betlehem moeten zijn onderdak vinden. Dus legt ze haar pasgeboren baby in doeken gewikkeld dan maar in een voederbak. Het gaat dus niet zoals we gewend zijn, zegt het verhaal., maar dat wil niet zeggen dat het niet gaat, dat het niet kan. Verder weg waren er herders in de buurt van Betlehem. Op een kampvuur na was het aardedonker daar buiten, waar ze op hun schapen paste. Maar toen opeens veranderde die nacht en werd de nacht licht. Licht als de dag. Of, nog lichter. Een enorme lichtshow breekt los. Een engel verscheen er stond tussen hen in en het licht van God straalde om de herders en hun schapen heen. Ze schrokken ervan, die herders. Maar de engel zei: ‘jullie hoeven niet bang te zijn, want ik breng jullie goed nieuws, waar iedereen blij mee zal zijn.’ En vertelde hen over een geboorte. En toen, toen was er plotseling een enorme hemelse legermacht. Een macht die God eerde. Met de woorden: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde.’
Dat licht van die nacht, waar kwam dat vandaan – even vragen - , dat licht? Lucas zegt: dat was het licht van God, dat om hen heen straalde. Wat denkt u, verheldert dat, dit antwoord? Licht van God? Wordt het dan duidelijker?
Weet je wat? We gaan het gewoon proberen met elkaar. Het zijn er wel de tijden voor, om deze ‘oefening in licht’ met elkaar te doen. Dus laten we beginnen. Kijk, wij kennen het licht van de dag. Ik heb het niet over het kunstlicht, alle lampen en lampjes die we ophangen in deze tijd. Prachtig, daar niet van, maar dat is het niet. Het licht van de dag, dat ’s ochtends begint en ‘s avonds weer van ons weggaat is het licht van de zon. Als je ogen goed zijn kun je alles zonder moeite zien met het licht van de dag. Want het is helder licht, we zien elkaar, je ziet hoe mooi iemand is die je bewondert, we zien de natuur, de duinen, de polder, het strand, de zee. Over dat licht gaat dag vier van dit gedicht van de schepping. Het is licht waarop je kunt rekenen, want je weet wanneer het komt en wanneer het gaat, je weet hoe lang het duurt dat licht, in deze tijd een stuk korter dan in de zomer. ’s Nachts, daarover gaat die vierde dag ook, ‘s nacht is er het licht van de maan en de sterren. ‘God plaatste de twee grote lichten aan het hemelgewelf, de grote om te heersen over de dag: de zon, en het kleinere over de nacht: de maan.’ Zo stelde de dichter zich dat voor. Een beetje zoals wij ook lichten ophangen.
Fundamenteel, dat licht, maar tot zover, zou je kunnen zeggen, spreekt het voor zich. Het komt ons bekend voor. Ook al kan het zo zijn dat er een nacht is, waarin je enorm ligt te wachten op de dag.
Wat vervolgens minder helder lijkt te zijn, is iets dat eerder beschreven werd op dag één van het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Want daar, helemaal aan het begin van alles, was het eerste wat er gezegd werd door God, dat was: ‘Laat er licht zijn.’ Waarop de eenvoudige constatering volgde: ‘En er was licht.’
Maar welk licht is dat? Wat is deze speciale verlichting hier aan het begin van dat gedicht van de schepping? Nog voordat er sprake is van het licht van zon of maan? In de kabbala, de joodse mystieke traditie, wordt dit oorspronkelijke licht vóór alles ‘het verborgen licht’ genoemd. In de Hebreeuwse taal or haganoes genoemd. Verhuld licht, want het is anders, zoals we al zagen, dan het licht van de zon en de maan. Anders dan dat licht van de regelmaat, de structuur van dag en nacht. Dit licht hier, is anders. Want hier gaat het, op dag 1, over het licht dat aan alles voorafgaat. Oorspronkelijk licht, dat één is, een eenheid-scheppende kracht. Misschien spreekt u niet zo snel over verborgen licht, maar wellicht zou u wel kunnen zeggen: licht van binnen of innerlijk licht. We kunnen ook zeggen: licht van ons allen. Licht dat er altijd is. Dat altijd bestaat. Blijft bestaan.
Met kerstmis vieren de geboorte van dat licht. Dat er altijd al was. De geboorte als een verschijning van dat licht. Jezus kwam om het goddelijk licht te tonen, te laten zien. Licht als een geschenk voor iedereen, niet om het privébezit van de kerken te worden.
In een mensenleven kan het soms lijken alsof dat licht er niet is, alsof het verdwenen is. Je vraagt je dan af: waar is dat licht gebleven, waar kan het gevonden worden? Aanwijzen kun je het ook niet, dat verborgen licht. Maar ook al ben je het kwijt, het is er wel, verborgen. Het is er altijd. En een sleutel hiertoe is de geboorte van Jezus. Jezus die in ons midden komt, als een goddelijk geschenk.
Genesis 1, 1 – 5 en 14 – 19 en Lucas 2, 1 - 21
En er was licht
24 December 2025 - Preek - Hervormde Gemeente Oost
