Voor ons gevoel kunnen het tegenwoordig ingewikkelde tijden, zorgelijk zelfs. Wanneer dat begonnen is? Soms lijken het ronduit kille tijden. Het gevoel wat daaronder zit vinden we vaak moeilijk. Het lijkt namelijk alsof er geen zekerheid is. Goed beschouwd is dat natuurlijk altijd zo, er is geen zekerheid, het leven is nu eenmaal onvoorspelbaar, maar nu dringt dat zich door allerlei omstandigheden wel erg aan ons op. Het heeft ermee te maken dat we in onze tijd opnieuw mee moeten maken dat er geen enkele ideologie is of systeem dat vaste zekerheid biedt. Het kwaad bestaat, dat is ons duidelijk. En het kwaad toont zich telkens in de geschiedenis opnieuw en telkens weer op een andere manier, die toch ook weer op vroeger lijkt. Wat we eerder, leek het, niet voor mogelijk hadden gehouden, misschien? Dat kwaad dient telkens opnieuw bestreden te worden. Maar op welke manier en, met welke middelen? Dat is de vraag, die zich aan ons opdringt. Ook in ons persoonlijk leven. Hierbij lijkt het wel alsof we tasten in het duister. Het lijkt wel nacht.
En in de nacht steken we lichten op. In deze donkere tijd van het jaar is het hier bijvoorbeeld de kerstboom met glimmende ballen, sinaasappels en kaarsjes, aan onze huizen en in tuinen hangen lichtslingers en staan er lichtsculpturen. Maar voor ons eiland als geheel is hét licht toch wel het licht van de Brandaris. Gelukkig, want dat licht brandt altijd, zeggen we als eilanders tegen elkaar. Als het donker begint te vallen, wordt er een licht ontstoken en begint er een lichtstraal te zwenken over ons bestaan. Om ons bestaan te verlichten en om ons oriëntatie te bieden, in het bijzonder aan de mensen op zee. Alle mensen op Terschelling zien dat licht. Zelfs als je de bron van het licht niet ziet, daarboven op de toren, omdat er tussen jou en de Brandaris een of ander gebouw in de weg staat, waardoor je de vuurtoren niet kunt zien, zelfs dan kun je toch in bepaalde omstandigheden het zwenklicht van de vuurtoren tegen de wolken zien schijnen, zien draaien. Alle mensen zien dat licht. Dat kan ons te denken geven.
In de Bijbel, in het oude testament, het eerste testament kun je ook zeggen, en daar in het boek Exodus vind je de tien geboden. Het zijn kernachtige aanwijzingen voor hoe je kunt leven. U kent er vast en zeker wel enkele uit uw hoofd. Mij gaat het hier speciaal om de tweede van de tien geboden. Daarin staat dat je geen beelden moet maken, geen afbeeldingen moet maken van God. Waarom zou dat zijn? Het is niet zo dat dat God niet te vangen valt in een afbeelding, zodat er geen enkele afbeelding passend zou zijn, als je God wil laten zien. God hééft namelijk een beeld en dat bent u. Je kunt geen beeld van God maken omdat jij het beeld van God bent. Want de enige manier waarop je een beeld van God kan maken is door het medium van je totale leven en dat is precies wat onze taak is. Alles wat je doet, alles wat je zegt, elk moment en de manier waarop je dat gebruikt zijn allemaal deel van de wijze waarop je het beeld van God maakt. Iets anders hiervoor nemen dan een mens, iets anders zoals bijvoorbeeld schilderdoek, een stuk marmer, een ideologie of de manier waarop de maatschappij wordt ingericht en dát het beeld van God noemen - zou het beeld van God verkleinen. Als je iets anders voor een beeld van God zou nemen dan een mens, dan dus ook van jouzelf als mens, iets anders dan dus het leven dat je ontvangen hebt, ontvangen door geboren te worden - iets anders dan dat zou het beeld van God onrecht doen, kleiner maken, dat is de gedachte. Als mens mag je licht verspreiden. Je hele leven je daarin oefenen. Gewoon telkens opnieuw beginnen. Niet opgeven.
Geboren worden. De nacht. We hoorden Eva voorlezen dat ergens daar in de buurt herders de nacht doorbrachten in het veld, waar ze de wacht hielden bij hun kudde. Opeens, stel je nu het licht van de Brandaris voor, opeens werden ze omgeven door het stralende licht van God, zodat ze enorm schrokken.
Het is het contrast tussen het donker waar ze in leven en het licht dat schijnt, dat ze aan de grond genageld doet staan.
‘Niet bang zijn,’ horen ze. ‘Ik breng jullie goed nieuws, iedereen zal daar blij mee zijn. Jullie redder is geboren, Christus de Heer. Hij is geboren in Betlehem, de stad van David en zo kunnen jullie hem herkennen: het kind ligt in een voerbak voor dieren en is in een doek gewikkeld.’
Kijk, u weet het nu al: want hoe? Hoe zou je hem anders herkennen? Hoe zou je het anders kunnen bedenken? Of hoe anders misschien door alles wat er gebeurt, wat er is gebeurd en dreigt te gebeuren - kun je dat vergeten? Want dat is mogelijk, we kunnen het zicht erop verliezen, we kunnen de basis, de grond kwijtraken, we kunnen door alles wat er gebeurt de intrinsieke waarde ervan vergeten, maar dan is dit verhaal er om ons in deze nacht er aan te herinneren: te midden van de grote geschiedenis met rijke en machtige mensen die onafgebroken de lakens uitdelen, zijn er gewone mensen en is er een gewoon kind, dat voor de herders het bezien waard is. En iets dat grote vreugde veroorzaakt. Omdat het om menselijkheid gaat. Volgens dit kerstverhaal wordt een licht zichtbaar, dat we soms uit het oog verliezen. Het is het licht van menselijkheid, het is menselijkheid liefde die altijd de basis en het fundament is van ons bestaan. Een fundament dat blijft. Dit verhaal herinnert ons daaraan.
Wij begroeten deze nacht dit licht. En wie allemaal nog meer? Want had je er weleens bij stil gestaan dat ook de schapen, het licht zien van de Brandaris? Want wij mensen kunnen elkaars taal verstaan. Er zijn ook ander talen die wij niet verstaan. En er is ook een taal zonder woorden. De foto van Jacoba herinnert ons eraan dat het niet uit te sluiten valt dat er ook anderen kunnen zijn die dit licht zien. Zoals die schapen op de dijk beschenen door het licht van de vuurtoren en kijkend naar dat licht dat je telkens weer raakt. We krijgen dat mee in deze viering als Sjoerd en Marja een duet spelen. Luister maar.
