het licht van een heel andere mogelijkheid

28 May 2024 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

inleiding
De boekverluchtiging voorop uw liturgie is een Engels voorbeeld van het mysterie van de drie-eenheid. Dat is iets dat niet voorkomt in de Bijbel. Het is later ontstaan als een poging om iets te zeggen over iets wat je niet kunt begrijpen.  We zien drie mensgelijke figuren samen onder één kroon. De gezichten van de Vader en Zoon zijn vrijwel identiek, terwijl het gelaat van de linker figuur wit en jeugdig is, wellicht als uitdrukking van de nieuw-makende dynamische natuur van de Geest. 

 Vanuit de drie komen gouden stralen. Op de bovenhelft lopen ze uit in rode vlamachtige engelen en onder in witte duifachtige engelen. Zo geeft deze schildering weer dat het licht, de liefde en (her)scheppende kracht van God de Koning uitstralen over heel de hemel en aarde.  


preek
Als Mozes nu echt ver van huis is, wilde ik zeggen aan u, maar nee, dat klopt eigenlijk niet, want ook als Mozes zogenaamd thuis is, bij de geiten en schapen van zijn schoonvader Jetro, ook dan is Mozes ver van huis. Jetro namelijk is een priester in Midjan. Waar dat ligt, Midjan? Nou, omdat u het vraagt: we gaan even op de kaart kijken: het is de naam van het gebied dat aan de overkant van de Rode Zee ligt. De overkant gezien van Egypte. En Egypte, dat is het land waar Mozes oorspronkelijk vandaan komt, ook al kun je ook van Egypte eveneens eigenlijk niet zeggen dat Mozes daar thuis was. Zijn vader en moeder zijn daar, Mozes werd er geboren, maar de leden van de gemeenschap waar hij deel vanuit maakt voelen zich daar in Egypte niet thuis, omdat ze er als slaven behandeld worden. Ze hebben het er slecht, heel slecht. Als Mozes ruzie krijgt en iemand doodslaat, besluit hij te vluchten. Hij komt terecht in het woestijnlandschap van Midjan, aan de overkant van de Rode zee dus of van de golf van Aden. Ten oosten dus van Egypte. Thuis, ja, nee, dat kun je dus niet zeggen van Mozes. 
Maar hier in het Bijbelgedeelte dat Leo heeft gelezen is Mozes ondertussen toch wel héél ver weg. ‘Eens dreef hij de kudde ver weg, voorbij  het steppeland, en zo kwam Mozes bij de Horeb, de berg van God.’ Zo staat het er, je kunt merken dat de schrijver van dit gedeelte veronderstelt dat de Horeb voor zijn lezers een bekend begrip is. En inderdaad, veel later pas in het verhaal zal Mozes vanaf die berg de stenen platen meenemen, waarin de geboden en aanwijzingen zijn gebeiteld, die wij de tien geboden noemen. Maar dat is later. Voor Mozes is er niets bekend aan de berg Horeb. Hij is juist verder weg dan hij ooit is geweest. Mozes is hier volledig onbekend. 

En dan opeens ontwaart Mozes een hem onbekend verschijnsel. Er vlamt vuur uit een woestijnstruikje. Mozes ziet het en heeft geen flauw benul van wat er aan de hand is. Als hij dichterbij wil komen om te kijken wat er aan de hand is, hoort hij een stem. Die stem spreekt hem aan door de naam van Mozes te noemen en te zeggen: ‘Kom niet dichterbij en trek je schoeisel uit, want de grond waarop je staat is heilig.’ En dan volgt, wat u Leo hebt horen voorlezen, het enorm verheugende nieuws, dat God heeft gezien, hoe beroerd de gemeenschap waaruit Mozes voortgekomen is, hoe ellendig die gemeenschap eraan toe is. Dat God dat gezien heeft en hen zal bevrijden. 

Als je indruk wilt maken, moet je niet een armetierig klein woestijnstruikje nemen, om je daarin te openbaren, stel dat je God was. Maar het gebeurt wel. En het gebeurt daar, waar Mozes onbekend is en met een onbekend verschijnsel te maken krijgt. Er is niets meer voor Mozes waar hij houvast kan vinden. Alles wat gewoon is en vertrouwd, is hij kwijtgeraakt. Hij is verder weg dan ooit. En daar op die plaats, op dat moment hoort hij iets, wordt hij iets gewaar, iets wat hij nooit had kunnen denken of dromen. Zoveel menselijkheid, zoveel menslievendheid had hij niet verwacht. Daar had hij niet op gerekend.

‘We hoeven ons niet langer te laten leiden door wat we zelf willen en denken,’ schrijft Paulus aan de gemeenschap in Rome. Hé? Waarom hoeven we dat niet meer? En wat is er dan aan de hand met wat we willen en denken? Nou ja, inmiddels weten we nu wel dat Mozes eerst voorbij zijn eigen willen en denken moest komen om God te ontmoeten. 
Een gewoon leven, dat weet u wel, gaat z’n eigen gang. Dat kennen we wel. Het bestaat gewoon, dat leven dat geleid wordt door onze eigen wil. Misschien herinnert u zich nog dat zoiets in vroegere vertalingen genoemd werd: ‘leven naar het vlees.’ 
Dat gewone leven, dat is er gewoon. Dat leven dat wij leiden valt soms mee of soms valt het tegen. Het leven gaat altijd van geboorte naar dood en hoe dichter je bij de dood komt, hoe meer het voelt alsof je uiteindelijk toch altijd naar die dood op weg bent. En het geloof kunnen we koesteren of proberen te vinden, maar we weten ook dat je het geloof ook kunt laten. En we kunnen ons groot en sterk voelen, bijna onkwetsbaar, maar toch is er altijd iets dat ons herinnert aan onze nietigheid. 
Over dat gewone leven dat je leidt, dat tegelijk grootste en nietige leven van jou en mij, daarover schijnt het licht van een heel andere mogelijkheid. Dat is het bijzondere, dat is het geheim van het geloof. Je hoeft je, schrijft Paulus, daarom niet opgesloten te voelen in dat gewone leven, omdat er iets anders is dat ons gewone leven telkens opnieuw radicaal in twijfel trekt. Dit in twijfel trekken van alles wat we zijn en niet zijn, van al onze bekende, vertrouwde wegen en omwegen, van al die dingen die we serieus nemen en de dingen die we lichtvaardig opvatten, van ons geloof en van onze twijfel, dat altijd durende ‘misschien’ – ‘misschien ook niet,’ dat alles wat ons gewone leven omvat, dat alles wordt volgens Paulus gerelativeerd door de vrijheid die we in God hebben, omdat dit de vrijheid van God zelf is. Leven geleid door de Geest van God, noemt Paulus dat. Erfgenaam zijn, geen slaaf meer - om het nog weer anders te zeggen, volgens Paulus. En ook, wat je misschien vertrouwder voorkomt: jullie zijn kinderen van God. Kind van God, zoals je je misschien niet voelt, maar wat wel iets is dat je ook niet kunt ontkennen. 
Dit besef is iets dat zich altijd weer van alle hoogte- en dieptepunten losmaakt, van alle kracht en zwakheid, van al het gelijk hebben en ongelijk hebben van deze mens, die je bent in deze wereld, dit besef is iets dat zich altijd weer van dit alles losmaakt, het is iets dat vanuit een ander perspectief treurt en glimlacht over ons bestaan en ons troost en telkens weer opdraagt, het is iets wat ons aanklaagt en vergeeft, iets wat ons opwekt uit de dood, het is iets wat we niet zien, wat we, zoals bij Mozes, niet herkennen en niet begrijpen, maar dat we op een bepaalde manier toch altijd blijven vermoeden. We zien het niet, maar het is toch aanwezig. Soms worden we er iets van gewaar. 

Aan deze mogelijkheid, aan dit licht dat over ons bestaan schijnt, daaraan word je telkens weer herinnerd in de kerk. Je wordt in de kerk herinnerd aan de vrijheid ervan, de bevrijding zelfs. Dat je dat in de kerk kunt horen of voelen, betekent overigens niet dat je het niet ook buiten de kerk kunt ervaren, kunt meemaken of vermoeden. Want net als bij Mozes kan het zelfs daar ervaren worden waar wij er het minst op rekenen. Daar waar we ons niet thuis weten, waar je je niet op je gemak voelt, waar het lijkt alsof je verder van huis bent dan ooit. Daar waar je niet meer helemaal op jezelf denkt te kunnen vertrouwen. 

In de lezing uit Handelingen ten slotte horen we van iemand die zijn akker verkoopt om het geld bij de apostelen te brengen. Want, zoals Loes voorgelezen heeft, ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand had ergens gebrek aan. Deze Barnabas vertrouwde op het geheel, dat zij allen elkaar samen in leven zouden houden. Later komen we hem tegen als en reisgenoot van Paulus. 
Vertrouwen op het geheel, is dat misschien iets waar we ons in deze tijd in kunnen oefenen? 
Ik moet hierbij denken aan wat Jezus in de Bergrede gezegd heeft. ‘Maak je geen zorgen voor de dag van morgen, want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen gewicht.’             

Exodus 1 : 1 - 6, Handelingen 4 : 32 – 37, Romeinen 8 : 12 - 17