Niet vanzelfsprekend

11 August 2024 - Preek - Hervormde Gemeente Oost

Ik moet er onmiddellijk bij zeggen dat het misschien niet voor u geldt, maar - als er in een kerk de naam Jezus wordt gebruikt, dan kun je het idee krijgen dat dat zo hoort. Dat het erbij hoort, omdat dat nu eenmaal zo is. We zijn immers in een kerk. En in een kerk is er – natuurlijk - een verhaal uit het evangelie dat voorgelezen wordt. Waarover iets verteld wordt. Niks bijzonders, eigenlijk. Het hoort erbij. Het is bekend. Het is wat het is. Wij kennen Jezus, dat staat vast. Of niet, maar dan blijft dat vaak ook zo. Het suggereert geen geheim, integendeel: het is vanzelfsprekend.   
Gerd Theissen, een Duitse nieuwtestamenticus, schreef ooit een boek voor een groter publiek. Oorspronkelijk luidt de titel ervan: In de schaduw van de Galileeër. Nu weet je waarschijnlijk wel dat de evangeliën jaren later pas geschreven zijn, jaren na het leven van Jezus. Er wordt door de evangeliën daarom over Jezus verteld. Over zijn leven. Over wat hij gezegd zou hebben en gedaan. Anderen hebben over Jezus geschreven Dat gebeurt in de Bijbel vier keer. In het evangelie van Marcus, dat van Matteüs, van Lucas en van Johannes. Drie van de vier boeken lijken op elkaar, ook al zijn ze ook net weer anders, en één ervan, dat van Johannes, is een heel ander verhaal. Theissen schreef in zijn boek een soort detectiveverhaal. Hij beschrijft iemand die achter Jezus aan moet. Een van de machthebbers wil namelijk weten wie het nou is over wie er geruchten rondgaan. Maar hoe diegene ook zoekt naar Jezus, hij is telkens weer te laat, net als hij ergens aankomt blijkt Jezus alweer vertrokken. En hij blijft dus afhankelijk van wat de mensen die Jezus hebben meegemaakt hem vertellen. Jezus zelf blijft op een bepaalde manier een geheim. 
Wat, zou je kunnen zeggen, wat is het verschil met ons?  

Ergens in het uiterste noorden van Israël woont ze, ver weg van Jeruzalem. Het is een gebied nog noordelijker gelegen dan het Meer van Galilea. Ze woont in het buitengebied, en ze is geen joodse vrouw. Ze iemand van de locals, die daar al eeuwen en eeuwen wonen. Maar nu heeft ze gehoord dat Jezus bij haar in de buurt moet zijn. Voor Jezus zelf, schrijft Marcus is het onwenselijk dat er dat soort verhalen over hem rondgaan, over waar hij verblijft. Hij wil liever wat onzichtbaarder blijven. Is hij daarom zo ver weg, helemaal in het uiterste noorden? Jezus is bij iemand in huis, maar het lukt hem niet onopgemerkt te blijven. Want er is dus iemand die gehoord heeft, dat hij bij haar in de buurt is. De vrouw heeft een groot verdriet. Dat verdriet is haar dochter, die ziek is. Zij is totaal zichzelf niet. Ze hoort dwingende stemmen, ziet dingen die er niet zijn. ‘Door een onreine geest bezeten,’ zeggen mensen om haar heen. De vrouw is doodsbenauwd dat haar dochter een ongeluk zal; krijgen of dat ze zichzelf iets aan zal doen.     

In onze tijd hebben we psychiaters en gesloten afdelingen. Er is medicatie. Misschien kan een beschermd woonproject overwogen worden. Met hulp en begeleiding. Maar dan nog. Een kind waar je je zorgen over maakt betekent hoe dan ook verdriet. Machteloos te moeten toekijken, je afvragend hoe het vandaag met haar zal gaan. De vrouw heeft haar dochter thuis, waar ze voor zorgt. We begrijpen misschien wel hoe uitputtend dat kan zijn. 

Vanuit de Brief aan de Efeziërs worden we aangemoedigd om ook in moeilijke tijden goed voor elkaar te zijn. Goed voor elkaar te zijn ook in een tijd waarin enorme krachten op ons inwerken. Want er is zoveel wat we niet kunnen doen. Er is veel waarover je je machteloos kunt voelen. Er gebeurt van alles waar je geen invloed op hebt. Maar dan toch: Ga alsjeblieft de weg van de liefde. Zoals Christus ook geleefd heeft. We zouden ook kunnen zeggen: Vergeet de zachte krachten niet, die zeker zullen winnen, zoals de dichter Roland Holst het formuleerde. De zachte krachten die je kunt horen in alles wat tedere is. Zoals je de grote, grote zee kunt horen ruisen in kleine schelpen. Je zou het ook met John Lennons lied Imagine kunnen zeggen, zoals gisteren gebeurde in de volleybal-hal in Parijs tijdens de Olympische spelen, toen het lied Imagine werd ingezet door de dj toen bleek dat twee volleybalsters in de finale ruzie met elkaar kregen. Probeer het je eens voor te stellen, zong John Lennon, een wereld voor zonder grenzen, bezittingen en religie, die mensen onderling verdeelt en tegen elkaar opzet. 

Zoals de vrouw met haar zieke dochter, van wie ze houdt en die nul op haar rekest krijgt van Jezus, die het ook helemaal niet op prijs stelt dat zij ontdekt heeft dat hij daar is. Ze valt voor zijn voeten neer en smeekt hem, alsjeblieft om haar dochter beter te maken. Om die demon bij haar dochter uit te drijven, zoals zij zelf zegt. Maar Jezus houdt af. Zij is geen joodse. Onbewogen blijft Jezus. ‘Eerst,’ zegt Jezus, ‘mogen de kinderen zoveel eten als ze lusten. Het is verkeerd om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.’ Het is ongetwijfeld niet fijn voor de vrouw om dit te horen. Pijnlijk ook. Maar wat zegt ze? Hoe reageert ze? ‘Maar Heer, de honden onder de tafel, die eten toch van de kruimels die de kinderen laten vallen?’ Zo! Die zit! Want zo helder, zo lucide, zo ruim van hart zijn er niet veel in het evangelie.     

Jezus is onder de indruk van deze vrouw. Hij is onder de indruk van haar geloof. Van haar diepe geloof. Van haar grote hart. Van haar menselijke warmte. Van haar heldere geest en haar manier van reageren. Zoals Jezus tegen haar zegt: ‘dat heb je goed gezegd!’ En Jezus maakt een ommekeer. Hij ziet dat deze vrouw een leerling van Hem is. Iemand die zich niet laat afwijzen. Ook niet door de gangbare grenzen. En het werkt. Of moet je zelfs zeggen, een leraar? Adolf Hötzel, de schilder van het van het schilderij op de voorkant van de liturgie ga het kleed van de vrouw de kleur mee van de stralenkrans, de nimbus om Jezus’ hoofd. Kijk maar even, dan zie je het.   
Dit is in alle opzichten een grensverleggend verhaal. Van deze anonieme vrouw wordt sindsdien verteld. Over hoe haar dochter door Jezus genezen werd. Voor iedereen daarbij was het een grensoverschrijdende genezing geweest. 

In het verhaal dat volgt op de geschiedenis over Elisa en de vrouw die hem altijd uitnodigde als de profeet op doorreis was, wordt verteld over hoe hij haar geholpen had om een kind te krijgen. Maar toen bleek dat het kind opeens ziek was geworden, zomaar, hoe het op een moment naar zijn hoofd had gegrepen “mijn hoofd, mijn hoofd” en sindsdien niet meer van zijn bed was opgestaan. Toen was de godsman Elisa daar gekomen en was – ik lees voor – was bovenop het kind gaan liggen met zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Zo bleef hij over het kind uitgestrekt liggen tot het lichaam weer warm werd. De jongen begon te niesen, zeven maal, en opende zijn ogen. 

Uiteindelijk is het toch de menselijke warmte die ons in alle opzichten in leven houdt. Dus laten we goed zijn voor elkaar en de weg gaan van de liefde. 
Zoals Jezus die gegaan is, zoals die vrouw uit het uiterste noorden van Israël heeft laten zien, en hoe ook Elisa heeft gehandeld. 
Misschien zijn we altijd te laat, net als de detective van Gerd Theissen. Is Jezus ons altijd net vooruit. Maar wat we van de verhalen over hem steeds weer meekrijgen, is de waarde van menselijkheid overal en door alles heen.  

Marcus 7, 24 – 30, 2 Koningen 4, 8 -18 en verder en Efeziërs 4, 30 – 5, 2