Ik hoorde een stem. Het was de stem van de Eeuwige. ‘Wie zal ik sturen?’ En ik zei: ‘Ik! Stuur mij maar.’
Zo, dat gaat snel. En dat is gefikst, zeggen we dan.
Nou, nee dat niet. Er is wat aan vooraf gegaan. En dat heeft met luisteren te maken. Want er is veel wat ons ontgaat. Veel wat we niet opmerken. Wat we niet horen. Of zien.
Er moet iets gebeuren om ervoor te zorgen dat we dat doorkrijgen. Dat gebeurt in het zesde hoofdstuk van het boek Jesaja. Eerst wordt de opmerkzaamheid versterkt.
Het boek Jesaja vertelt aan zijn lezers dat de profeet niet alleen God heeft gehoord, maar ook dat de profeet God heeft gezien. Ja, inderdaad: God heeft gezien. Dat hij de stem heeft gehoord, de stem van de Eeuwige en dat hij geantwoord heeft. Dat is overigens niet iets van toen en daar alleen. In onze tijd gebeurt zoiets ook. Maar Jesaja zet zwaar in. Ik zag de Eeuwige. Hij zat op een troon. Een hoge zetel was het. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. We moeten dit even tot ons laten doordringen. Kijk even naar de zoom onderaan uw broek of uw jas, hoeveel is dat, zo’n zoom? Meestal een paar centimeter, niet veel meer. De tempel waar over gesproken wordt moeten we ons voorstellen als een groot gebouw, veel groter in elk geval dan deze kerk. Maar ook als we dit kerkgebouw zouden nemen. De zoom die u bekeek, zo’n klein zoompje, vergeleken met de zoom van de mantel van de Eeuwige, die de tempel vult. Tja, u begrijpt misschien dat hier iets geprobeerd wordt. Het gaat om een gevoel van ontzag. Een groot gebouw en de profeet ziet hoe de alleen slechts al uiterste randen van het kleed van God het gebouw totaal vullen dat voor de eredienst voor deze God gebouwd is. Boven God stonden een soort engelen. Eigenlijk zijn het een soort mens-dierachtige gestalten. Met zes vleugels. Met twee ervan kunnen ze vliegen met de vier overige bedekken ze hun gezicht en lichaam. Uit eerbied. Uit schaamte. Ze roepen, wat wij gezongen hebben: heilig, heilig, heilig, maar ze roepen dat zo onvoorstelbaar hard, dat de deuren van de tempel schudden. Overal in de tempel was rook. Een indrukwekkend tafereel voor de profeet, die daar helemaal van de kook van raakt. Hij wordt bang en met stomheid geslagen – hij weet niks uit te brengen. Later zal Jesaja opschrijven dat hij zich zo klein en nietig voelde, zo beperkt, zo onaanzienlijk, dat hij niks meer durfde te zeggen. Zo ontzagwekkend is alles.
Maar dan komt er hulp. Eén van die wezens daar komt op hem afvliegen raakt de lippen van de profeet aan met een kooltje, met vuur dat reinigt. Als we het nog niet begrepen hadden dat wordt nu wel heel duidelijk dat we het beeldend moeten zien. Je zou na dat vuur op je lippen niet meer in staat zijn om te praten, maar Jesaja ervaart het juist als hulp, als genegenheid. Het zich schuldig voelen is voorbij. De ontzagwekkendheid blijft bestaan, maar er wordt een grens over gestoken. En toen hoorde Jesaja die stem, die vroeg: ‘Wie zal ik sturen?’ En toen zei hij: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Zoiets moet wel met vertrouwen te maken hebben. Niet met angst, maar met vertrouwen. Ook al is het onbekend wat de toekomst hierna zal brengen.
Ook in onze tijd kunnen mensen zo’n soort ervaring hebben. Misschien hebt u ook weleens iets dergelijks meegemaakt. Niet op precies die manier, maar iets dat op hierop duidt. Zoals de voormalige Zweedse diplomaat Dag Hammarskjöld in zijn dagboek noteert, dat na zijn dood in 1963 werd uitgegeven. Hammarskjöld schrijft: ‘Ik weet niet wie – of wat – de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner me niet dat ik antwoord gaf. Maar eens zei ik ja, tegen iemand – of iets. Vanaf dat moment heb ik de zekerheid dat het leven zinvol is en dat mijn leven, in onderwerping, een doel heeft. Vanaf dat moment heb ik geweten wat het wil zeggen, ‘niet om te zien’, of ‘zich niet meer te bekommeren om de dag van morgen’.
In ons leven nemen we talloze beslissingen, een leven lang. Sommige beslissingen neem je elke dag en telkens weer. Maar er zijn ook de besluiten die genomen worden, die zwaarwegend zijn en van beslissende betekenis. Van sommige daarvan kun je spijt hebben, achteraf. Andere beslissingen vergeten we eenvoudigweg. Maar er zijn van die beslissingen die je bij blijven, omdat er daarna kennelijk iets veranderd is. Iet veranderd is op onze levensreis, die ons op onbekende plaatsen kan brengen.
Het evangelie van Lucas vertelt ons over de bijzondere ervaring van enkele vissers op het Meer van Gennesaret. Die nacht hebben zij hard gewerkt, maar niets gevangen. Het was een nacht geworden van eenzaam zwoegen. Het is het type ervaring, dat u misschien ook wel kent, als je soms in de nacht wakker kunt liggen terwijl de vragen zich aan je opdringen, de vragen die alsmaar sterker lijken te worden, waarbij oplossingen of antwoorden steeds verder uit beeld beginnen te raken. Alsof de vissen die je hoopte te vangen, steeds verder van je vandaan lijken te zwemmen. De netten die naar vissen vragen, naar vissen hengelen, ze blijven leeg.
Jezus heeft te maken met een opdringerige menigte. Ze dringen zich op, ze belemmeren hem bij het spreken. Daarom probeert Jezus wat afstand te nemen, door in een van de twee boten te stappen, die daar liggen. De Italiaanse schilder Rafaël maakte ontwerpen voor wandtapijten, zoals je hier voor op de liturgie ziet afgebeeld. Een levendig tafereel, dat zie je wel. Daarop zie je helemaal aan de linkerkant Jezus in zo’n bootje zitten. Petrus zit een eerbiedige houding geknield vlakbij Jezus. Andreas in het groen gekleed lijkt aan te komen lopen. Wat de gebaren die hij maakt met zijn armen en handen betekenen, is moeilijk te achterhalen. Spreekt er verontwaardiging en protest uit, over wat Jezus daar zegt? Of is het zoals het evangelie zegt de uitdrukking van angst en schrik, omdat er zo ontzettend veel vis gevangen was? Is Andreas onder de indruk van de ongebruikelijke, niet voor te stellen overvloed? De enorme hoeveelheid vis, zoals we kunnen zien aan Jakobus en Johannes die uit alle macht het net proberen in de boot te hijsen. Helemaal aan de rechterkant van het wandkleed zien we Zebedeus, die een boot naar de kant aan het duwen is met een stok, en die door Rafaël afgebeeld is als een riviergod. Op de voorgrond zien we vogels, dat zijn kraanvogels, die symbool stonden voor waakzaamheid. Bovenin zien we raven wegvliegen, en die stonden symbool voor alles wat misgaat en fout is. Kunnen ze het bevatten, die vissers? Je begrijpt aan alles: er is sprake van een paradigmawisseling, er begint iets nieuws, een nieuwe wereld staat op het punt om te beginnen. Tegen Petrus zegt Jezus: je hoeft niet bang te zijn, want voortaan zul je mensen opvangen in plaats van vissen.
Telkens weer zijn er mensen die zich hebben afgevraagd, waarom die vissers alles achter zich lieten om met Jezus mee te gaan. Een reden, een antwoord geeft het evangelie van Lucas niet, behalve dat ze daar met Jezus iets heel bijzonders hebben meegemaakt. Misschien kunnen we het benoemen als van vertrouwen wisselen. Als jij het zegt, doe ik het. Zo ongeveer. Het is niet mijn vertrouwen waardoor ik met je op weg ga. Het jouw vertrouwen om mij te vragen. Zoals ook Jesaja, toen hij hoorde: Wie zal ik sturen? onmiddellijk antwoordde met: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Of zoals Hammarskjöld, die niet weet wie of wat de vraag stelde of wanneer en zich zelfs niet herinnert of hij antwoordde. Maar wel weet dat hij eens ja had gezegd, tegen iets of iemand.
Echt leren vertrouwen is niet makkelijk. Vertrouwen, geloven is niet voor niets een werkwoord. Maar het is ook een ambacht. Je kunt het leren. Hoe? Door uitgenodigd te worden. Door eraan te beginnen. En soms moet er iets gebeuren voordat je dat onderkent.
Jesaja 6, 1 – 8 en Lucas 5, 1 - 11
van vertrouwen wisselen
9 February 2025 - Preek - Hervormde Gemeente Oost
