‘Ik ben gekomen om vuur te brengen op de aarde,’ zegt Jezus in het evangelie van Lucas. ‘En wat zou ik graag willen dat het vuur al brandde!’ Even later, iets verderop vraagt Jezus: ‘Jullie denken dat ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde? Integendeel. Ik breng juist verdeeldheid.’
Toen Jezus nog maar heel jong was, hij was iets meer dan een maand daarvoor ter wereld gekomen, het was in die tijd dat zijn ouders hem meenamen naar de tempel om God te danken, vertelt het evangelie. En dat ze daar toen een man tegenkwamen, die enthousiast reageerde op die komst van Jezus, hun zoon. Maar deze Simeon, zoals hij heette, had óók gezegd, bij die ontmoeting aan Maria: ‘Je moet wel weten dat veel mensen in Israël vanwege hem ten val komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat tegengesproken zal worden en voor jezelf zal het lijken alsof er een zwaard door je heen zal gaan.’ Op z’n hollands gezegd: gefeliciteerd met je zoon, hij zal voor flink wat onenigheid zorgen en je zult nog veel verdriet van hem hebben!
Op de een of andere manier houden we, lijkt het, deze berichten over Jezus meestal minder goed vast dan de berichten over de geboorte van Jezus, waarbij we in de kerstnacht de engelen horen zingen over vrede, vrede op aarde. Dat komt toch meer overeen met het beeld van Jezus dat we graag meekrijgen. En dat geldt ook voor mij.
‘Vuur ben ik komen brengen op aarde.’ Vuur? Wat zou de betekenis daarvan zijn? Wel, toen Jezus begon met zijn publieke optreden was hij een jaar of dertig. Voordat hij leerlingen om zich hen verzamelde, liet Jezus zich dopen. Johannes had bij de rivier de Jordaan een dooppraktijk, waarbij hij op het belang wees om tot inkeer te komen. Verhoudingsgewijs veel mensen gaven daaraan gehoor. Ook Jezus was daar bij. Sommige mensen vroegen zich af of Johannes dan misschien de messias was. Johannes had als volgt op die vraag gereageerd: ‘Ík doop jullie water, maar er komt iemand die meer is dan ik. Ik ben het zelfs niet waard om de riem van zijn sandalen los te maken. Híj zal jullie dopen met de heilige Geest, met vuur.’ Johannes gebruikt voor dit vuur een beeld uit de wereld van de landbouw. Hij heeft het over dorsen en over het scheiden van kaf en koren. Jezus, heeft de wan in zijn hand, zegt Johannes, de wan is een soort schop waarmee graan in de lucht wordt gegooid, waarna de wind het kaf wegvoert, en het koren achterblijft, doordat het op die plats omlaag valt. Wat je niet nodig hebt waait weg en wordt later verbrand.
Vuur heeft daarom te maken met scheiding. Het goede wordt gescheiden van wat niet gebruikt kan worden, waar je niks aan hebt. Wat je nodig hebt, het koren, wordt gescheiden van wat wordt weggedaan, het kaf, het omhulsel van graankorrels, dat overblijft na het dorsen. Dat kan verbrand worden. ‘Kijk, daar brandt het al, kijk dat vuur, wat mooi.’ Vuur, de warmte die het verspreidt betekent ook dat het verlangen naar het goede de warme kern wordt, de brandende kern van het leven. Dat verlangen hebben we wel, maar vaak aarzelend en half-half, bang als we zijn dat we onszelf overvragen en dat we teleurgesteld zullen raken in de wereld en het leven. ‘Wel realistisch blijven,’ zeggen we dan tegen elkaar. Wij die gewend zijn om het kwade in te zetten om het goede te bewerkstelligen. En dan verbaasd toekijken dat het middel erger was dan de kwaal. Terwijl Jezus zonder reserve inzet op het goede, ook al kost dat ten slotte alles. Omdat het om de goedheid gaat. God die goed is. God die telkens opnieuw en zonder reserve inzet in op goedheid. Zodat je jezelf niet begint wijs te maken dat het kwaad zo oppermachtig is.
Degene die door Johannes wordt aangekondigd, Jezus van Nazaret, de gezalfde van God, zal volgens Johannes de Doper de belichaming zijn van dat vuur en Jezus zal het vuur in anderen ontsteken. Altijd weer. Zoals we hoorden dat Jezus zelf, in ons gedeelte van het evangelie zegt. ‘Vuur ben ik op aarde komen brengen en wat zou ik graag willen dat het al brandde.’
In ons brandt het vuur nog niet ten volle. Het doet er ons leven lang, het doet er de geschiedenis lang over om ten volle door te breken. Maar midden in onze geschiedenis, midden in ons leven is Gods rijk van vrijheid en goedheid dichtbij.
In het Pinksterverhaal uit het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Handelingen daalt de heilige Geest neer - in de gestalte van vuur. Vuur dat zich verdeelt over en op de leerlingen van Jezus, die bij elkaar zijn. Tongen van vuur, vuurvlammen. Die leerlingen blijken vervolgens te kunnen communiceren - dat is het wonder - met allerlei verschillende mensen, die ook nog eens allerlei talen spreken. De heilige Geest - kun je ook zeggen - helpt om met verschillende mensen om te gaan. Om te onderscheiden wat het goede bevordert. En dit onderscheiden tussen goed en kwaad, vergis je niet, dat is iets waar wij tegenwoordig elke dag mee bezig zijn. Het gaat om heel simpele dingen: welk mailtje bijvoorbeeld kun je aanklikken en welke niet? En het gaat ook om hele ingewikkelde dingen, als er bijvoorbeeld een conflict is, in de familie, of in geval van een oorlog, van tomeloos geweld. Wat is het goede doen, en wat is het kwade? Wat helpt, wat helpt niet? Ook daar zijn we in allerlei opzichten vaak dagelijks mee bezig.
Pascal, Blaise Pascal was een Franse wiskundige en filosoof uit de zeventiende eeuw. Nadat hij overleden was vond men in de voering van een van zijn kledingstukken twee handgeschreven tekstjes. Op papier en perkament was een soort dagboekachtig fragment te lezen, dat zo begon. ‘Het genadejaar 1654. Maandag 23 november vanaf ongeveer half elf ’s avonds tot ongeveer half een ’s nachts.’ En dan met hoofdletters geschreven: ‘VUUR’ en gaat het weer verder met gewone letters: ‘God van Abraham, God van Isaak, God van Jakob. Niet de God vaan filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede.’ Zo’n heldere denker, want zo rationeel was Pascal, leek het altijd, tijdens zijn leven. Nu bleek zijn gevoel op een ander fundament te rusten. Op de warme gloed van het vuur.
De profeet Jeremia, de andere lezing, gebruikt zo’n zelfde agrarisch beeld als Johannes de Doper. Hij schrijft: er zijn profeten die een droom hebben gehad. En dat vertellen ze dan. Maar de profeet die echt mijn woorden weergeeft, dat is heel iets anders. Zo’n droomprofeet en de profeet die mijn woorden spreekt, dat moet je uit elkaar houden, zoals stro verschilt van graan. ‘Mijn woorden,’ geeft Jeremia de woorden van God door, ‘zijn net zo sterk als vuur, zo krachtig als een hamer die een rots kapotslaat.’ Vuur zoals je in de smederij kunt zien als de smid er met een hamer op het hete metaal slaat, hoe er vonken in het rond springen. Jeremia heeft geen vertrouwen in die droomprofeten. Vanwege alle tegenstand van die mooi-weer-profeten wilde hij zelf eigenlijk de brui eraan geven, schrijft hij. ‘Maar als ik denk: ik wil de woorden van God niet meer noemen, niet meer spreken in zijn naam, dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente.’ (20, 9) Makkelijk is niet altijd. Maar zwijgen is voor Jeremia geen optie.
‘Hoe kan dat nou,’ zegt Jezus, waarbij hij het meteorologisch bewustzijn van de mensen die naar hem luisteren aanspreekt, ‘hoe kan het nou dat jullie het weer weten te voorspellen, maar niet wat er in deze tijd aan de hand is?’ ‘Als de wind wolken uit het westen aanvoert, dan laten ze regen vallen als de wolken bij de bergen aankomen. Er komt regen, zeggen jullie en dat gebeurt dan ook. En als de wind uit het zuiden waait, dan wordt het warmer. Dan zeggen jullie: Het wordt warm vandaag. Ren ook dat gebeurt. En zo is het.’ Het gaat voor Jezus niet om het weer. Zijn leerlingen worden aangespoord vrijuit om zich heen te kijken, vrijuit naar zichzelf te kijken en te zien wat goed is, en wat niet.
Om niet allen te luisteren naar je eigen angst en zorg, maar ook naar het goede waar God zich zonder reserve voor inzet. Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen. Dezelfde God heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met zijn kennis. Aan dat licht willen we ons gewonnen geven.
‘Want het licht is sterker dan het donker
en het daglicht overwint de nacht,
zoek je weg niet langer in het duister,
keer je om en zie Gods nieuwe dag. (Lb 286)
Jeremia 23, 23 – 29 en Lucas 12, 49 - 56
