Het is nogal een dilemma, waar de jonge koning Salomo mee te maken krijgt. Want van wie is de baby die in leven is en van wie de overleden baby? Wie zal het zeggen?
Zoals we weten, een dilemma kan in je leven voor nogal wat hoofdbrekens zorgen. Je kunt er van wakker liggen. Want voor beide kanten van zo’n probleem is er wel wat te zeggen, lijkt het. Of anders gezegd: allebei lijken ze even moeilijk. Hoe kom je daar uit? Je probeert de voors en tegens af te wegen, maar of het er duidelijker op wordt? Misschien wel, misschien niet. Best ingewikkeld, zo’n dilemma. Terwijl je toch het idee hebt dat je een knoop moet doorhakken, een besluit moet nemen. Zomaar door laten sudderen is geen optie, dan wordt het alleen maar erger. Zoals in het boek Prediker gesteld wordt: ‘Wanneer een slang niet wordt bezworen en dan bijt, dan helpt de kunst van hem te bezweren niet meer.’ (hoofdstuk 10 : 11)
Wat niet meehelpt bij de zaak waar koning Salomo mee te maken krijgt is dat allebei de vrouwen die met hun geschil bij hem komen exact hetzelfde zeggen. De tweede vrouw ontkent het verhaal van de eerste: ‘Dat is niet waar!’’ zegt ze en beweert: ‘Het levende kind is van mij en het dode van jou.’ Waarop de eerste vrouw zegt: ‘Niet waar, het dode is van jou en het levende van mij.’ Zo bepleiten ze ieder hun zaak bij de koning. Ze zeggen allebei precies hetzelfde. Hoe kun je weten wie er liegt en wie er de waarheid spreekt?
Nou. Ja, Salomo, aan hem wordt gevraagd als rechter om een besluit te nemen. Alleen, de jonge koning zit nog maar net op de troon. Het is de troon die zijn vader David ooit bekleedde. Een illustere koning, die nogal wat oorlogen heeft gevoerd. Zijn zoon, Salomo wil het anders doen. Er wordt verteld dat hij ’s nacht als hij slaapt in een droom een stem hoort die hem een vraag stelt. Het is de stem van God die spreekt. ‘Vraag maar wat je wil. Ik zal het je geven.’ ‘Ik ben nog zo jong en zonder ervaring,’ zegt Salomo hierop. ‘Ik zou graag willen dat u uw dienaar een opmerkzame geest schenkt, zodat ik het volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen wat goed is en wat kwaad is.’ God blijkt hiervan onder de indruk. ‘Ik vind het bijzonder dat je dit vraagt. Dat je niet vraagt om een lang leven, of om veel bezit, of om de dood van je vijanden. Nee, je hebt gevraagd om wijsheid.’
Daar hebben we het, het woord is gevallen. Wijsheid. Dat verlangde Salomo. Wijsheid kun je zien als een heel uitzonderlijk iets, want in de tijd en omgeving waarin dit verhaal speelt werd wijsheid gezien als een bij uitstek internationale activiteit. Wijsheid was het idee overstijgt landsgrenzen, overstijgt culturen, wijsheid kan overal vandaan komen. Wijsheid kan ook overal gevonden worden. Niet alleen in je eigen cultuur of omgeving, maar ook veel verder weg. Wijzen herkennen en erkennen elkaars wijsheid. Ergens verderop in dit Bijbelboek, twee hoofdstukken verder, wordt er dit gezegd over de jonge koning van Israël: ‘God schonk Salomo zeer veel wijsheid, onderscheidingsvermogen en een veelomvattende kennis van zaken, overvloedig als het zand van het strand langs de zee. In wijsheid overtrof Salomo iedereen in het Oosten en in Egypte. Hij was wijzer dan alle andere mensen, (…) zijn roem drong door tot alle omringende volken. Hij dichtte drieduizend spreuken en duizend en vijf liederen over de natuur, overallerlei soorten planten, van de enorme ceders op de Libanon tot het kleine plantje majoraan dat uit de muur groeit, en over lopende dieren, over de vogels, de kruipende dieren en over vissen. Uit alle omringende landen kwamen mensen om naar Salomo’s wijsheid te luisteren, afgezanten van koningen die over zijn wijsheid hadden gehoord.’
Je hoort het. Het perspectief van wijsheid is internationaal en grensoverschrijdend. Misschien had u net als ik ook wel plezier in de overdrijving die eruit spreekt. In de koran wordt zelfs gezegd dat Salomo onderwezen zou zijn in de taal van de vogels.
Maar wat verder opvalt is de nadruk waarmee gezegd wordt dat Salomo bedreven is in de dichtkunst. Dat stond hoog aangeschreven. Hij schreef spreuken en dichtte liederen.
Het Bijbelboek Prediker, niet vergeten, Prediker is ook geschreven als poëzie en geldt eveneens als wijsheidsliteratuur. Dat kun ej zelfs in de vertaling merken, want ook al behandelt het boek wat je zou kunnen noemen zware kost, het is lichtvoetig geschreven poëzie. In het hoofdstuk, dat we evenals de lezing over Salomo danken aan de keuze van Marieke, handelt het over al de dingen die Prediker in zijn leven heeft gedaan, omdat hij wilde kijken, omdat hij de drang voelde om te onderzoeken wat het leven voorstelt. ‘En bij alles wat ik voor mezelf verworven had, behield ik ook mijn wijsheid.’ Hoe hij dat doet? Prediker voelde namelijk ook de innerlijke noodzaak om het leven tegen het licht te houden en nog eens aandachtiger te kijken naar wat het inhoudt. En dat valt tegen, dicht Prediker. Want eigenlijk, schrijft Prediker, leidt het uiteindelijk tot niets, dat leven. Het biedt geen bevrediging, althans geen blijvende bevrediging. In zijn poëzie beschrijft hij hoe hij zijn leven opluisterde met grote huizen, met prachtige tuinen, met slaven, met mensen die vertier brengen, hem vermaakten, musici en met een harem vol mooie vrouwen. Daar lag het allemaal niet aan. ‘Ik genoot ervan naar hartenlust,’ zegt Prediker. Maar als hij er nog eens naar kijkt, er nog eens beter naar kijkt, als je dat bestaan nog eens van alle kanten bekijkt, of in de woorden van Prediker zelf: ‘zoals de wind, die waait naar het zuiden, draait naar het noorden, draait en waait en draait en al draaiend weer terug waait,’ als je het zo eens bekijkt van verschillende kanten, dan blijkt ‘alles wat ik ondernam, dat moeizame gezwoeg allemaal maar lucht en najagen van wind. Het had geen enkel nut onder de zon.’ Dat laatste is het refrein dat in het dit Bijbelboek telkens weer terugkomt. Lucht, dat is bij Prediker niet de lucht die je in ademt, die leven gevende kracht, die ruach wordt genoemd in het Hebreeuws. Lucht is hier de adem die je uitademt, dat wat je kwijt moet, het afval van de adem, die je elke keer weer laat ontsnappen, onzichtbaar, behalve op een koude winterdag, waar je zo’n wolkje even ziet, voordat het weer onmiddellijk oplost in de lucht. Niet de ruach maar de hévèl. De wereld als een theater van frustratie en illusie.
‘En bij dat alles wat ik voor mezelf verworven had, behield ik ook min wijsheid.’ zei Prediker. Wijsheid, zegt in het Bijbelboek Spreuken hoofdstuk 8 hier zelf over: ‘Ik was de lieveling van God, ik was altijd verheugd in de aanwezigheid van de Eeuwige en vond vreugde in zijn hele aarde en verheugde me in de mensheid, in alle mensen. Nu dan kinderen, luister naar mij, gelukkig is wie op mijn wegen wandelt.’
Wijsheid, wat is dat? Nicolas Poussin, de Franse schilder van het schilderij voorop de liturgie, Nicolas Poussin laat zien dat hij daar wel een idee over heeft, over wat wijsheid is. Voor hem is de werkelijke held van het verhaal van de rechtspraak van koning Salomo de moeder, de echte moeder. Want als de koning vraagt om een zwaard om het kind in twee stukken te hakken en beide vrouwen een helft te geven, dan neemt zij het woord en zegt geschokt: ‘Alstublieft koning, maak het kind niet dood. Geef het dan maar aan haar!’ Poussin schildert haar als iemand die haar armen uitstrekt naar haar kind. ‘Geef het dan maar aan haar.’ Met deze uitspraak vol compassie en onzelfzuchtigheid heeft ze het leven van haar kind gered. Zij wenst het beste voor haar kind, ook als dat zou betekenen dat zij haar kind daardoor zal verliezen. Dat kun je wijsheid noemen.
Prediker 2, 1 – 11 en 1 Koningen 3, 16 – 28
